Home

Overdenking op de 9e zondag van de zomer

Zondag 17 augustus, 9.30 uur, Maartenskerk te Oosterend (Texel)

Lezingen: Jesaja 56:1-7 en Mattheus 15:21-28

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

‘we hebben de nul gehouden’, zei kort geleden de premier van Australie. En dat ging niet over de WK-wedstrijd Nederland-Australie van deze zomer, want toen lukte het ze niet niet om de nul te houden: het Nederlands Elftal scoorde drie keer. Nee, wat de Australische premier bedoelde toen hij zei dat ze de nul hadden gehouden, was dat Australie er in 2013 in was geslaagd, om alle bootvluchtelingen buiten de deur te houden. Zoals vele Afrikanen de afgelopen tien jaar een oversteek waagden naar Europa – herinnert u zich de drama’s bij de kust van het eiland Lampedusa – zo proberen vanuit Indonesie ook velen de oversteek naar Australie te maken, in de hoop daar een beter bestaan te kunnen opbouwen. Maar sinds enkele jaren voert Australie een extreem streng immigratiebeleid, en met succes dus: we hebben de nul gehouden, zoals de premier zei. Sommige vluchtelingenboten worden op zee al onderschept en teruggestuurd, maar vluchtelingen die pas later ontdekt worden, worden meegevoerd naar een klein eilandje, waar ze in een detentiecentrum gestopt worden. Vandaaruit kan men alsnog een asielaanvraag doen, maar gezien het beleid laat de uitkomst van die procedure zich van tevoren wel raden.

De gebeurtenissen in Australie staan niet op zichzelf. Ik noemde al de bootvluchtelingen in Zuid-Europa. Maar ook ons eigen land kan er de laatste jaren wat van. Dankzij de opkomst van, ja laat ik het beestje maar weer eens bij de naam noemen, Geert Wilders, staat ons land in het buitenland inmiddels bekend als een van de meest racistische landen op aarde. De achtergrond van de wijd verbreide afkeer voor vreemdelingen

is vooral van economische aard, en is denk ik pas in tweede instantie een kwestie van religie of nationaliteit. Wij hebben een ongekende voorsprong in welvaart op de rest van de wereld. Slechts een handjevol economische paradijsjes moeten we voor ons dulden. Zou het kunnen dat we, doordat de laatste jaren het woord crisis ons zo vaak om de oren is gevlogen, dat een beetje waren vergeten? Maar we horen nog steeds bij de top. En dus is het niet zo vreemd dat al die mensen in wankele bootjes stappen, op weg naar die landen waar het nationaal inkomen het hoogst is. En natuurlijk is het ook niet vreemd dat dat in ons land op weerstand stuit. Immers, we hebben er hard voor gewerkt, we betalen netjes belasting. We zullen het op die manier niet van de daken roepen, maar we hebben toch in zekere zin recht op onze welvaart.

Dat kun je denken, totdat je herinnert hoe dit nog maar weer in de geschiedenis is gegaan. Nog maar een paar honderd jaar geleden voeren onze grote zeehelden de wereld over, en plantten daar de vlaggen van Nederland, Spanje, Frankrijk, Groot-Brittanie. En trots zeiden we dat Columbus Amerika had ontdekt, en Vasco da Gama India. Wat de onzen even vergaten, was dat daar al eeuwenlang menselijke beschaving bestond, die we voor het gemak maar voor barbaars aanzagen. In navolging van de oude Grieken, die het woord barbaar hebben uitgevonden. Want als je over de grenzen van je bekende eigen land kwam, en je hoorde de mensen praten, dan verstond je niet meer dan wat gebrabbel, dat klonk als barbarbar. Barbaren dus. Door zo’n woord wordt de ander van zijn menselijk gelaat ontdaan, wordt de vreemdeling direct een gevaar. Een gevaar dat je maar het best snel de kop in kunt drukken. Zo begon de zwarte bladzijde van de kolonisatie in onze vaderlandse geschiedenis. En zo kwamen wij aan onze voorsprong die wij, om het voetbaljargon nog maar eens uit de kast te trekken, niet meer uit handen gaven, die ons in staat stelde de nul te houden.

U zult zich misschien zo langzamerhand afvragen wat dit alles met de bijbelteksten van vanmorgen te maken heeft. Welnu, ook daarin gaat het wat je aanmoet met vreemdelingen: moet je ze toelaten, of kan je beter de nul houden? Wat je dan hoopt en verwacht is dat Jezus ons daarin de goede kant op helpt. Leert hij immers niet je vijand lief te hebben? Houdt hij ons niet voor meer dan het gewone te doen, de andere wang te keren, onze angst voor de ander opzij te zetten, zodat vrede en gerechtigheid eindelijk een kans krijgt? Met dat in je achterhoofd, komt de evangelielezing van vanmorgen nogal rauw binnen. Daarin meldt zich een vrouw, een Kanaatische, een niet-jodin, een barbaarse. Zij spreekt hem aan op zijn jood-zijn, Zoon van David noemt ze hem. Of hij haar dochter van een demon wil bevrijden. Maar eerst springen de leerlingen ervoor. Nu zijn we dat wel gewend, zij snappen de bedoelingen van Jezus wel vaker niet. Maar in de regel zet Jezus hen dan aan de kant. Zoals bij de kinderen, die hij bij zich uitnodigt: Laat de kinderen tot mij komen. Maar nu gaat Jezus mee in het negeren van de hulproep van deze vrouw. Geen genezing, geen bevrijding, zelfs geen handje pepernoten voor de moeite. Met een keurige opgaaf van redenen: ik ben gekomen voor de verloren schapen van Israel.

Dat is een variant op ‘eigen volk eerst’, als ik het goed hoor. Zoals wij in Nederland kunnen denken: we hebben het al druk zat om de restjes van de verzorgingsstaat drijvende te houden. En dus heb je als autochtone Nederlander meer recht op geld en bescherming dan de asielzoekers die op onze poort kloppen. Of zoals we in de kerk kunnen denken: diaconaat, dat er is toch in eerste instantie voor de noden in onze eigen gemeente. Je moet toch je prioriteiten stellen. Als we zo geneigd zijn te denken, dan hebben we het van geen vreemde: onze lieve Heer Jezus zelf verkiest ook eerst de schapen van Israel.

Godzijdank laat de vrouw uit het verhaal zich niet afschepen. Nog eens roept ze: help mij. Maar alsof het allemaal nog niet lomp genoeg was, antwoordt Jezus: ‘Het is niet goed om de kinderen het brood af te nemen en het aan de honden te geven.’ Subtiel, of eigenlijk helemaal niet subtiel, maakt hij deze vrouw, en haar volk erbij, uit voor hond. En denkt u daarbij aan zwerfhonden. Onderhand ga je je, zelfs als rechtgeaard christen, afvragen wat Jezus bezielt om deze woorden in de mond te nemen. Opnieuw komt de vrouw in verweer, zij wel op een subtiele manier. Ze reageert niet gekwetst, maar uiterst gewiekst: de honden mogen toch zeker de kruimels die van de tafel vallen? Nu dan, gelukkig, eind goed al goed, geeft Jezus haar waar ze om vraagt. Net op tijd, voordat er nog meer barsten in ons Jezusbeeld worden geslagen.

Wat gebeurt hier in dit verhaal? We zien dat Jezus, erfgenaam van de joodse traditie, Zoon van David, iets leert van een vreemdeling, een buitenstaander. Is dat niet de omgekeerde wereld? Kan dat dan zomaar, dat iemand anders Jezus iets leert? Blijkbaar, in elk geval gebeurt het in dit verhaal. Hij ontdekt hier dat Israel weliswaar Gods lieveling is, maar dat zij die status niet mag gebruiken om op anderen neer te kijken. In de toekomstmuziek die we bij Jesaja hoorden, werd duidelijk hoe het er bij de Ene van Israel aan toe gaat. De grenzen gaan open! De eunuch krijgt een plaats in Jeruzalem en de vreemdeling mag de tempel betreden. Allemaal hebben ze een plek aan de tafel van de Heer.

Die openheid voor vreemdelingen zit Israel in de genen. In de Torah klinkt geregeld de oproep: gedenk hoe u zelf slaaf was in Egypte, totdat de Heer u bevrijdde. Omdat Israel zelf de vreemdelingschap in zich draagt, waakt het ervoor de vreemdeling die op haar pad komt buiten te sluiten. De vreemdeling is niet langer iemand die jouw verworvenheden bedreigt, maar in eerste instantie een lotgenoot, iemand met wie jij verbonden bent, iemand die net als jij leeft van de geef. Ook al verkeer je nu in een riantere positie, al heb je een eigen staat, een huis, een bloeiende economie; je kan er geen rechten op laten gelden. Het is je toegevallen, of bijbels gezegd: je bent er mee gezegend.

Je zou het het huidige Israel gunnen, dit besef van vreemdelingschap, nu ze de wapens hebben opgenomen en daarbij onschuldige burgers raken. Je zou het de Australische premier, die zo trots is dat hij de nul heeft gehouden, gunnen dat hij zich realiseert dat hij afstamt van de blanken die daar de Aborigonals op wrede wijze hebben verdreven. Je zou het onszelf gunnen, dat besef van vreemdelingschap. Wij, die onze rijkdom bij elkaar hebben gegraaid en afgedwongen; die onze grenzen openstellen voor succesvolle Europeanen, maar wel barrieres opwerpen als de nestgeur van asielzoekers wat al te uitheems is.

Wat zou het kunnen betekenen wanneer we beseffen dat we in eerste instantie vreemden zijn, vreemd op aarde, vreemden in de geschiedenis? We zijn dan in elk geval niet langer als eerste eigenaars, bezitters, mensen die hun rechten en grondgebied kunnen claimen. En misschien stelt dat besef ons in staat om de ander, de vreemdeling in de ogen te kijken. En dat kan iedereen zijn die buiten de eigen groep valt. De ongelovige buurman, de ‘import’ in het dorp, of de allochtoon die wacht op papieren. Dan kunnen we de ander misschien gaan vertrouwen, want die ander leeft, net als wij, van de geef. En moge het zo zijn, dat haar of zijn roep om erkenning, om hulp eerder tot ons doordringt, dan bij Jezus in het evangelie van deze morgen. Dat zou dan de eerste kruimel zijn die van onze tafel afvalt.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s