Home

Overweging bij de koraalcantate ‘Wer nur den lieben Gott lässt walten’, F. Mendelssohn

Cantatedienst in de Grote Kerk te Zwolle, 15-6-2014

Lezing: Matteus 6:25-34

God zorgt, kind, God zorgt. Met dit mantra bezweert meneer Houttuyn de chaos. Hij is de vader van Dina, een van de hoofdpersonen uit de roman ‘Pier en oceaan’ van Oek de Jong. God zorgt, kind. Meneer Houttuyn, een nette gereformeerde man midden jaren vijftig, heeft zijn mantra hard nodig. Dochter Dina is ongepland zwanger, en tegelijk in de war over haar eerste lesbische liefdeservaring. Zoon Gregoor is een goddeloze Amsterdammer geworden een roekeloze en slordige kunstenaar. Beide kinderen afgedwaald van het paadje dat vader voor hen had uitgestippeld. Hij is de controle over hen kwijt. En niets is erger voor meneer Houttuyn dan dat: de controle kwijt zijn. Want tot nu toe was dat zijn strategie: zijn werk, zijn vrouw, zijn huis, zijn kinderen, alles onder de kordate heerschappij van zijn controle te brengen. Maar nu de eerste barstjes in zijn imperium komen en hij de greep verliest, kan hij tenminste nog terugvallen op de Grote Controleur Aller Dingen. Zo blijft hij manipuleren over de broze grenzen van zijn eigen macht en bijt hij zich vast in zijn mantra: God zorgt, kind, God zorgt.

‘Wer nur den lieben Gott lässt walten’, schreef Georg Neumark een paar honderd jaar eerder. Vanouds vertaald als: Wie maar de goede God laat zorgen en op hem hoopt in ’t bangst gevaar, is bij hem veilig en geborgen, die redt hij god’lijk, wonderbaar. Het lied heeft door de eeuwen een heen grote populariteit genoten, ook in de 19e eeuw, toen Mendelssohn de cantate van vanmiddag componeerde. Georg Neumark schreef dit lied toen hij twintig jaar was. Hij was onderweg naar Königsberg om daar rechten te gaan studeren. Een jongen dus van goede komaf, met een kansrijke toekomst. Maar de groep handelaars met wie Neumark meereisde werd overvallen, en ook Neumark hield niets over behalve een zakbijbeltje en wat kleingeld dat hij in de zoom van zijn kleren had ingenaaid. Ineens moesten de doelen bijgesteld: in plaats van zijn rechtenstudie te gaan doen, moest hij elke dag maar zien te overleven. Hij maakte een winter vol honger en ontbering mee. Pas aan het eind van de winter vond hij eindelijk een baantje als onderwijzer. De dankbaarheid over de plotselinge redding uitte hij in een gedicht: Wer nur den lieben Gott lässt walten

Nu, wat moeten we er dan van denken, van dat walten van God, dat redderen, dat zorgen van hem? Is het niet gewoon wat een mens roept, als het hem of haar uitkomt? Als de zorgen te groot worden, als de chaos me dreigt te overspoelen, wanneer er zoveel wegen in mijn leven doodgelopen zijn en ik de controle kwijt ben ­- God zorgt kind, God zorgt. Maar hé, het leven gaat toch gewoon zijn gang; en God zorgt, misschien is dat zo, als je aan de goede kant van de streep staat. Als je leven op rolletjes loopt, of als je een beetje mazzel hebt, zoals Georg Neumark aan het eind van zijn hongerwinter. Is dat dan Gods leiding? Dat beetje toeval, die gunstige speling van het lot die je naar jezelf toetrekt, die je bij een gebrek aan betere woorden dan maar God noemt?

Geluk en ongeluk, winnen en verliezen, het zijn zulke volstrekt onvoorspelbare dingen. Je wordt hier in het welvarende Nederland geboren, of in een vluchtelingenkamp in Syrie. Je overleeft een reorganisatie op je werk, of je staat op straat. Je bent op tijd bij de dokter, of het is al te laat. Er is geborgenheid bij in je familie, of er is altijd ruzie en spanning thuis. God zorgt kind, dat kan ik denken, om maar niet dat andere te hoeven denken: dat er geen goede macht is die mij draagt, dat er uiteindelijk niets is om op te hopen. En dat de controle die ik denk te hebben, slechts een illusie is.

Wer nur den lieben Gott lässt walten, het is een beschouwing achteraf. Het was mooi geweest als er ook klaagliederen van Neumark waren overgebleven uit de tijd dat het hem minder voor de wind ging. Want ook de klacht moet worden gehoord, en niet bezworen door vrome formules. Op een ziekbed, of thuis werkloos op de bank, blijkt ‘God zorgt’ een holle frase. In elk geval kan het niet gelden als een garantie, want hoe vaak is het leven niet willekeurig in het uitdelen van geluk. En wil je daar een god achter zien, dan is die god een wrede of een machteloze. En van die twee dan het laatste nog het liefst.

Kortom, je moet nogal naief zijn, wil je het nog kunnen zingen: Wer nur den lieben Gott lässt walten. En tegelijk: ik zou niets liever willen dan soms gewoon maar even naief te zijn; ongecompliceerd geloven dat mijn breekbare geluk het houden kan, in elk geval voor dit moment, zo lang als het duurt. Al is het maar het oog van de orkaan, soms kan ik ook werkelijk blij zijn, opgelucht of dankbaar. Omdat het toch nog goed kwam, omdat ik het leven toch als een goede gave ontvang. Om alles wat er ondanks de chaos toch opbloeit, om deze dag, om deze wereld en haar zonneschijn. Wanneer de klacht volledig is uitgeschreeuwd, dan zoekt ook dat gevoel van dank zich een uitweg uit mij. Mijn hart is te nauw om het daar te houden de dank, de opluchting, de ervaring gezegend te zijn. En laat er dan muziek zijn die er een opening aan geeft, die mijn dank in de ruimte laat opstijgen. Misschien wel tot voor Gods aangezicht, wie weet.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s