Home

Overdenking op de 8e zondag van de zomer

Morgendienst in de Evangelisch-Lutherse Gemeente te Zwolle, 10-8-2014

Lezingen: Jona 2:2-11 en Mattheus 14:22-33

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

het gebeurt zelfs de grootste zelfverklaarde atheisten nog wel eens, dat er ongevraagd een psalm aan de oppervlakte komt drijven; zegt bijvoorbeeld Maarten ’t Hart, als hij lekker in zijn moestuin aan het wroeten is. Gewapend met schoffel en spade zoemt dan ’t hijgend hert der jacht ontkoomen door zijn hoofd. In zijn geval misschien pure nostalgie, een soort heimwee naar die geheimzinnige tale Kanaans, terwijl links en rechts alle godsbewijzen in elkaar zijn gestort. Als je een beetje redelijk denkt, dan moet het allemaal onzin zijn, maar zelfs als dat zo zou zijn, dan nog komen de aloude liederen van Israel nog wel eens bovendrijven.

De kans dat het mij of u gebeurt, dat zo’n psalmzinnetje je plotseling invalt, is nog een stuk groter. Geregeld komen wij hier bij elkaar, en zingen ze nog steeds, die oude psalmen, week na week. Misschien hebt u ze vroeger op school geleerd, op maandagochtend verplicht een versje opzingen. Maar misschien hebt u ze wel meer via de weg van de geleidelijkheid leren kennen. Af en toe kun je je vrolijk maken over het heerlijke ouderwetse Nederlands, zoals we bijvoorbeeld net nog zongen: Gij zijt mijn hulp, toef niet te zeer. Waar hoor je dat nog? Naast alle andere belangrijke functies van de kerk, lijkt een ervan te zijn dat we dit literair-cultureel erfgoed bewaren uit naam van volk en vaderland.

Maar de goede verstaander begrijpt dat we dit gebruik niet hooghouden just for old times sake, om dat oude vertrouwde gevoel te behouden en te cultiveren. In de psalmen, en breder, in het nieuwe liedboek dat we ons langzamerhand proberen eigen te maken, zingen we ons de teksten naar binnen en daarmee zingen we onszelf vertrouwen naar binnen. Daarmee zet zich een laag oergesteente af op de bodem van onze ziel. En dat is nodig ook, voor als de kwade dagen komen. Want al schoffelend in de moestuin is het nogal risicoloos om nog een psalmpje te neurien. Maar wat richten die wijsjes en die woorden uit als de kwade dagen zich aandienen?Durf ik er dan ook nog wat van te verwachten, van die gezangen over de bevrijder-God? Die van wie wij zingen: Gij zijt mijn hulp, toef tezeer!

Het zijn de oude wijsjes van de psalmen die bij Jona opborrelen als hij in de vis zit, drie dagen en drie nachten. De vis, die zijn redding is, lijkt zijn graf te worden. Het is een opmerkelijk beeld. Net bij het lied over Jona zag u misschien de voetnoot, die vermeldt dat Jona Hebreeuws is voor duif. De duif, dat is de vogel die we in de evangelien tegenkomen als symbool van de Geest, De duif, dat is de vogel Gods. Maar Jona, deze vreemde vogel Gods, is niet uitgevlogen naar de einden der aarde naar het boze Nineve, om daar te getuigen van de barmhartigheid van de Eeuwige. Hij fladdert de andere kant op. Niet omdat hij niet gelooft in God en zijn barmhartigheid. Integendeel, juist omdat hij daar weet van heeft, ontvlucht hij hem. Het strookt immers niet met zijn rechtvaardigheidsgevoel. Slechte, immoreel levende mensen verdienen geen tweede kans. Zij moeten de wrange vruchten van hun losbandige levensstijl zelf maar eten.

Hetzelfde kan ik denken over schoolverlaters die niet aan het werk komen – had je maar beter je best moeten doen. Of over tienermoeders – had je maar een beetje moeten opletten; of over gok- of drankverslaafden – met een beetje meer wilskracht was het zover niet gekomen; of, om het jargon van de school te gebruiken waar ik werk, over al die faalhazen, die sociaal net niet lekker meekomen, die net niet zo gekleed gaan als je zou hopen; die heus niet in de goot zitten, maar net buiten de groepen vallen waar je eigenlijk bij moet willen horen. Net als Jona kan ik denken dat dat hun eigen verantwoordelijkheid is. Maar de Ene van Israel, en dat weten hij en ik best, loopt niet met een boogje om mensen heen die hem niet bevallen. Die weet dat mensen soms tegen wil en dank in de penarie raken en dan vervolgens dingen gaan doen waarover je als weldenkend mens het hoofd schudt. De Ene kijkt door dat schijnbare onfatsoen heen, en stuurt zijn vredesduif erop af.

Maar de vredesduif voelt daar zelf niet voor. Hij neemt een omweg. Maar die omweg blijkt een doodlopende weg. Met een been al in het graf zit Jona in de vis. En dan heft hij een lied aan, bekend als de psalm van Jona. Maar bij nadere beschouwing is die psalm grotendeels een lappendeken van de psalmen die hem thuis zijn voorgezongen. Tussen al die letterlijke citaten uit de psalmen vinden we slechts enkele originele zinnen van Jona terug. Het opvallendst is de vermelding van zeewier

het is de enige plaats in de hele bijbel waar zeewier voorkomt. Het zeewier hangt om hem heen, dreigt hem te verstikken, het wordt haast zijn galg.

Met die acute bedreiging van zijn leven valt Jona terug op het geloofsvertrouwen dat hem is voorgezongen. Zoals ik nu soms nog drijf op de avondgebeden van mijn moeder, als ik verder ook niet kan verwoorden wat mijn geloof nu allemaal precies inhoudt. Het zit in me als een groot vertrouwen dat op de bodem van mijn ziel genesteld is tussen al die tegenstemmen die er ook klinken. Alle stemmen die me vertellen dat dit leven pas een leven is met een led-tv en een i-phone 5s, met een gezond en vitaal lichaam, ook als ik al 75 ben, met een goede opleiding, een baan, een pensioensopbouw waar ik mee voor de dag kan komen, met leuke vakantiefoto’s waarvoor ik me niet hoef te schamen. Tussen al die stemmen, die als zeewier om mijn nek hangen en me de adem haast benemen, is er altijd nog ruimte voor een psalm of een lied om boven te komen drijven. Zoals het lied dat we straks zullen zingen: “je kunt niet dieper vallen, dan in Gods eigen hand waarmee hij ons barmhartig omvat aan alle kant”. Dat zing ik voor als de dagen komen, dat mijn leven voelt als een vrije val een val in verdriet, in pijn, in spijt.

Het moge duidelijk zijn dat dit zingen meer is dan het onwillekeurig neurien van psalmen in de moestuin. Hoewel het een goede zaak is wanneer we ook daar, in alle alledaagsheid, blijven zingen. Maar werkelijk zingen is er op gericht dat we staande blijven wanneer de stormen in ons leven opsteken, wanneer we met zeewier om de nek al bijna dood en begraven zijn. Dan vangt en draagt ons de Eeuwige. En net als Jona worden we er misschien al zingend ook aan herinnerd dat hij ieder mensenleven dragen wil. Ook de levens van de mensen die voor ons gevoel in Nineve leven al hebben ze de mond vol drank, of sigaretten of schuttingtaal.

Na drie dagen komt Jona aan land. maar God brengt hem weer tot leven. Dat klinkt als Pasen. Of: pasen klinkt als Jona. Wat u wilt. God roept door de dood heen zijn mens tot leven, wellicht omdat die psalmwoorden van Jona en van ons, hem ergens aan herinneren. Want heeft hij niet gezegd dat hij niet doof is voor wie in nood hem roept, dat hij zal bevrijden? Met Jona worden ook wij geboren voor een tweede kans, voor een nieuw leven. Levend en zingend zullen wij aan land gaan, eindelijk weer vaste grond onder de voeten. Vredesduiven zullen we zijn, vogelen Gods, die de roekoe van zijn barmhartigheid op aarde laten klinken.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s