Home

Overweging bij het thema ‘Heiligen: Augustinus

Michaelsviering op 27 oktober 2013 in de Grote Kerk te Zwolle

Augustinus: een biografie, inleiding op de lezingen

Stel: je bent een man van eind twintig, je hebt een leuke vriendin en een kindje, je gaat geregeld naar het theater; op school vind je vooral filosofie en taalkunde interessant. Af en toe haal je wat kattenkwaad uit, ach ja de puberjaren, maar je kan altijd terugkeren bij je vrome en liefhebbende moeder. Je bent op zoek naar de waarheid en naar waar het werkelijk om gaat in het leven. Daar heb je het met je vrienden over.

Het lijkt verdacht veel op mijn leven. Niets te klagen, kan ik u melden. Maar ik heb het over Aurelius Augustinus. Op deze derde zondag van de zomer, staan we vanmorgen bij zijn leven stil. Hoewel het plaatje dat ik schetste er op het oog prima en gelukkig uitziet, was het voor Augustinus een reden zijn leven te veranderen.

Augustinus wordt in 354 geboren in Thagaste, een stadje in Noord-Afrika, dat destijds onder het Romeinse rijk viel. Hij is zoon van een diepgelovige moeder en een minder diepgelovige vader. Op school ontwikkelt hij een voorliefde voor filosofie en retorica. Als hij gaat studeren in Carthago, raakt onder het gehoor van manicheese filosofen. Hij is onder de indruk van hun welsprekendheid en kennis van de sterrenkunde. Leiders van die stroming bezorgen hem een aanstelling, eerst in Rome, en daarna in Milaan. Ondertussen leeft hij samen met zijn vriendin en hun zoon Adeodatus.

In Milaan komt Augustinus in de kerk, waar hij bisschop Ambrosius hoort preken. Hij wordt eerst alleen getrokken door zijn welsprekendheid, maar later is er ook iets in zijn boodschap dat hem raakt. Op een dag zit hij in de tuin, en hoort hij een stem, die zegt: ‘Tolle, lege’; Neem en lees. En hij pakt de bijbel erbij, en zijn oog valt op een woord uit Romeinen, dat hem oproept te stoppen met een losbandig leven. Deze ervaring drijft Augustinus naar het doopwater. Hij bekeert zich tot het christelijk geloof, en wordt kort daarna gewijd tot priester en bisschop van Hippo, in Noord Afrika, waar hij vandaan kwam. Hij gaat celibatair leven, wat hem de tijd geeft voor een ongekende productie aan theologische geschriften. Wellicht de bekendste daarvan is de Belijdenissen, waarin hij vertelt over zijn leven voor zijn bekering. Vanmorgen zullen uit dat werk enkele fragmenten klinken.

Augustinus heet bij Rooms-katholieken Sint Augustinus. Hij neemt een prominente plaats in op de heiligenkalender. Met de Reformatie hebben de protestanten afstand genomen van deze cultus rondom heiligen. Dat was destijds een gezonde zuivering op een ontsporing in de kerk van de late middeleeuwen. De Reformatie heeft ons er op gewezen dat ieder een onbemiddelde relatie met God en met Jezus kan aangaan, zonder tussenkomst van priesters of pausen, en voor ons heil hebben we ook het gebed van heiligen niet nodig. Tegelijk zijn we iets wezenlijks kwijtgeraakt, namelijk het besef dat het geloof tot ons komt via allerlei stemmen uit de kerkelijke traditie. En dat het voorbeeld van de levens van heiligen ons kan inspireren om het geloof gestalte te geven. Een heilige vat ik daarbij niet op als een zondeloos persoon die een paar treden hoger staat op de hemelse ladder. Een heilige is een mens van vlees en bloed, met nukken en tekortkomingen, die ons ergens in is voorgegaan; die door haar of zijn leven een voorbeeld is geweest. In het geval van Augustinus gaat het dan vooral om omkeer, en om een hartstochtelijk verlangen naar God. Als alle heiligen die hem voorgingen, die ons voorgingen gewone mensen die een stem hoorden die droomden van een nieuwe stad en daarheen op weg gingen.

Teksten uit Augustinus, Belijdenissen, boek X, 

Fragment I                         Wat heb ik lief, wanneer ik u liefheb? Geen schoonheid van een lichaam, geen luister van de tijd, geen lichtglans die mijn aardse ogen lief is, geen heerlijke melodieën van gevarieerd gezang, geen aangename geur van bloemen, reukwerken en specerijen, geen manna en geen honing, geen ledematen die welgevallig zijn aan de omhelzingen van het vlees: deze dingen zijn het niet die ik liefheb, wanneer ik mijn God liefheb.

En niettemin heb ik zo iets als een licht lief, zo iets als een stemgeluid, zo iets als een geur, zo iets als een spijs en zo iets als een omhelzing, wanneer ik mijn God liefheb, die licht is en stemgeluid en geur en spijs en omhelzing van mijn innerlijke mens, daar waar voor mijn ziel die lichtglans fonkelt, die door geen plaats bevat wordt, daar waar die klank weerklinkt, die door geen tijd wordt weggerukt, daar waar die geur hangt, die door geen wind verstrooid wordt, daar waar die smaak bestaat, die door geen gretig eten wordt verminderd, daar waar die omhelzing wordt gegeven, die door geen verzadiging losraakt.

Dat is het wat ik liefheb, wanneer ik mijn God liefheb.

Fragment II                       Op welke wijze zoek ik dus naar u, Heer? Want wanneer ik naar u, mijn God, zoek, dan zoek ik het gelukkige leven. Ik wil u zoeken om te maken dat mijn ziel leeft; want mijn lichaam leeft van mijn ziel, mijn ziel van u. Hoe zoek ik dus het gelukkige leven? Ik heb het pas, wanneer ik zeg: ‘Het is genoeg!’ Ik heb het pas dáár, waar ik dat moet zeggen.…

Fragment III                       […] ik herinner mij u, sinds ik u heb leren kennen, en ik vind u in mijn geheugen, wanneer ik mij u weer voor de geest breng. (…) Laat heb ik u liefgekregen, o schoonheid, zo oud en zo nieuw, laat heb ik u liefgekregen! En wij waart binnen, en ik was buiten, en daar zocht ik u, en ik rende, wanstaltig als ik was, op de schone dingen af die door u gemaakt zijn. Gij waart bij mij en ik niet bij u. Ik werd ver van u gehouden door dingen die niet bestaan zouden hebben, als ze niet in u bestaan hadden. Geroepen hebt gij, geschreeuwd en mijn doofheid doorbroken; gestraald hebt gij, geschitterd en mijn blindheid verjaagd; gegeurd hebt gij en ik heb ingeademd en snak nu naar u; geproefd heb ik en nu honger en dorst ik; aangeraakt hebt gij mij en ik ben ontvlamd naar uw vrede.

Overweging

 Wat is geluk

Omdat het geluk een herinnering is
bestaat het geluk omdat tevens
het omgekeerde het geval is,

ik bedoel dit: omdat het geluk ons
herinnert aan het geluk achtervolgt het
ons en daarom ontvluchten wij het

en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij
het geluk zoeken omdat het zich God
verbergt in onze herinnering en

omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk
moet ergens en ooit zijn omdat wij dit
ons herinneren en dit ons herinnert.

Rutger Kopland

Zoeken naar iets, naar iemand, dat doe je omdat het onderdeel van je uitmaakt, omdat iemand bij je hoort: je winterjas op zolder, een boek dat je kwijt was, een schoolvriend van vroeger die je tijden niet gezien hebt. Je duikt je herinnering in. Daar vliegen beelden, geluiden en geuren rond. Als je gaat zoeken, heb je een herinnering aan waar je naar zoekt: de laatste keer dat je je vriend zag, de plek waar je dacht dat je je boek had neergelegd. En dus zoek je niet zomaar, maar op basis van een vermoeden, een instinct of een aanwijzing. Je herinnering is het kostbaarste wat je hebt. Het maakt je leven tot een geheel. Het ergste wat je kan gebeuren is dat je herinnering je ontglipt. De aanblik van Alzheimerpatiënten, gezichten leeg als een wit tafelkleed – ik herinner me ze maar al te goed. Tot het laatste probeer je als geliefde of familielid herinneringen aan te dragen die herkenning oproepen. Zolang ik herinner, heb ik een verhaal. een wereld van woorden, beelden en smaken die aan mij toebehoren.

 In boek 10 van zijn Belijdenissen gaat Augustinus de zolder van zijn herinneringen op. Met een nogal hooggestemde zoekopdracht: geen fotoboek, kleren of campingstoelen, maar God verwacht hij daar aan te treffen. Dat klinkt als een grap, maar Augustinus lijkt het serieus te menen. Als we weet hebben van God, of al was het maar een vermoeden van of een gerucht over hem, dan moet hij toch ergens diep in ons verankerd liggen. In onze herinnering zijn. Tegelijk beseft Augustinus ook wel de grenzen van zijn zoekopdracht, want meteen stelt hij zich de vraag: ‘wat heb ik dan lief, mijn God, wanneer ik u liefheb?’ Via trappen op zijn nogal grote zolder wandelt hij langs alle herinneringen van de vroege kindertijd tot aan zijn adolescentie. De dagen zijn gevuld met zintuiglijke indrukken. Maar God blijkt daar voor Augustinus niet mee samen te vallen. Tegelijk zegt hij: ik zoek zoiets als een geur, een beeld, een geluid. Mysterieuze taal, zeker voor iemand die de Griekse logica aardig onder de knie had.

 Wat heb ik dan lief, mijn God, wanneer ik u liefheb? Even verder ontvouwt zich een antwoord: ‘Wanneer ik naar u, mijn God, zoek, dan zoek ik het gelukkige leven.’ Ah, het gelukkige leven. Daar kan ik als moderne gelukzoeker wel wat mee. Want God, die mag dan ver weg zijn, zo niet onvindbaar, maar het gelukkige leven, daar kan ik me wel wat bij voorstellen. Waar ik gelukkig van wordt? Nou ja. Stoofvlees. Herfstkleuren. Een kus. Een meeslepend muziekstuk. Concrete dingen en gebeurtenissen in elk geval. Ik vind dat ik in al die dingen al aardig spiritueel bezig ben. Koken, zingen, vrijen, kijken: alles met aandacht. Kom daar bij de Burger King eens om. Maar zelfs dan scheer ik er net langs, zegt Augustinus. ‘Ik vloog af op de schone dingen die door u gemaakt zijn.’ Maar daarmee was ik buiten, terwijl u binnen in mij was. Op een onuitsprekelijke manier wijzen de schone dingen op de bron van schoonheid zelf. Diep in ons gaat een oude herinnering schuil aan geluk, aan schoonheid. Kunstenaars hoor je wel eens zeggen dat hun schilderij, boek of hun compositie al bestond. ‘ik hoefde het alleen nog maar op te schrijven’ zeggen ze dan.

 En dat is geen valse bescheidenheid, of tenminste niet alleen; het is een bevestiging dat er een goede kern in het leven zit, dat schoonheid, geluk en God diep in ons verworteld zijn. Misschien wel zo dichtbij, dat je er gemakkelijk overheen kijkt.

In de kamer van een oudere studiegenoot trof ik jaren geleden een hartenkreet aan de muur; een gedicht dat hij had geschreven in zijn zwartere dagen. met zijn goedvinden geef ik het aan u door; omdat het kernachtig een ervaring verwoordt die soortgelijk is aan die van Augustinus.

je ligt gekruld in de schelp

van mijn oor te wachten

tot ik je hoor en voel

je ligt verstopt in een plooi

van mijn huid te wachten

tot ik je ruik en proef

en ik maar denken

God – wat ben je weg

 

Advertenties

One thought on “Augustinus

  1. Beste Jan-Jaap, even was ik op zoek naar een antwoord op de vraag of de beroemde tekst van Augustinus uit Confessiones X (zie ook Liedboek 2013, p.1350) wel eens in een preek is gebruikt en zo waar daar kom ik een oude bekende tegen, wiens weg ik heel even heb gekruist.
    Ik ben onder de indruk van je preek, je taal, je geestelijke habitus en je communicatie met mij als lezer cq hoorder. En ik ben blij dat je dominee (pionier) bent. Hartelijke groet, Evert Jonker

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s