Home

Overdenking op de 12e zondag na Trinitatis

Morgendienst in de Ontmoetingskapel te Maarn

Lezingen: Ezechiel 33:7-11 en Mattheus 18:1;15-20

Gemeente van onze Heer Jezus Christus

voor u staat vanmorgen een beetje een verlegen dienaar van het Woord. Want gooit het evangelie van vanmorgen ons niet vijftig jaar terug in de tijd? Als het niet meer is… Elkaar aanspreken op zonden, elkaar vermanen, is dat niet iets wat we vroeger deden, maar wat we godzijdank hebben afgeschaft? Die tijd dat de ouderlingen waren belast met het herderlijk vermaan der kudde, met de controle van de goede zeden van de gemeente, ligt dat niet achter ons? Tegenwoordig maak ik zelf wel uit of ik op zondag naar het voetbal ga, op welke krant ik geabonneerd ben, wat ik op tv kijk, hoe ik mijn relatie en mijn gezin inricht en organiseer. Die meeloerende ogen van de kerkelijke tucht, het grondpersoneel van Big Brother who is watching you, dat is toch allemaal niet meer van deze tijd. Dat behoort tot dat deel van het verleden van de kerk waar je liever niet aan herinnerd wordt, net als de kruistochten en de heksenjachten. Ok, de kerkelijke tucht was minder bloederig, maar uit naam van het herderlijk vermaan is toch ook een heleboel ellende de wereld ingekomen. Mensen die altijd onder een vaag soort schuldbewustzijn gebukt gingen, een leven lang. En van de weeromstuit: een grote groep mensen die de kerk is uitgerend, omdat die sociale controle niet meer vol te houden was. En vraag het de man in de straat, die leeft nog steeds bij dat beeld van de kerk als een behoudend eilandje waar je doen en laten in de gaten wordt gehouden.

Zoals ik al zei: ik ben, met dit hele verleden in mijn achterhoofd, een beetje verlegen met de tekst van vanmorgen. Misschien niet eens zozeer met de tekst op zichzelf, maar wel met alles wat hem aankleeft. Dat heb je soms met woorden; met het woord op zich is niet zoveel mis, maar met de bijklank en alle associaties die je erbij hebt, vergaat je het plezier. Bijvoorbeeld achtbaan, of kapper, of snackbar, of belastingambtenaar. Op zichzelf neutrale, of misschien zelfs goede fenomenen, maar misschien heb je er een herinnering of een associatie bij, die je voorgoed belet om er nog iets positiefs bij te voelen. Dat heb ik dus met de kerkelijke tucht en het broederlijk vermaan. In het oude avondmaalsformulier werd nog wel nadrukkelijk gezegd dat de tucht een liefdesmaatregel is, tot opbouw van de gemeente, maar in de praktijk zag het er meestal uit als een strenge man in een zwart pak die je van het avondmaal kwam afhouden. Die hele praktijk komt weggelopen uit het evangelie van deze morgen. En het is een hele onderneming om al die nare associaties er af te pellen, om uiteindelijk toch nog iets moois aan de tekst te ontdekken. Maar in mijn nog prille loopbaan heeft dat al vaker de moeite geloond, dus ik zal het met u proberen.

Het zou zomaar kunnen dat wij in onze tijd wel iets meer bemoeizucht van elkaar kunnen gebruiken. Want van het ene uiterste, van de meeloerende ogen, zijn we inmiddels misschien wel aan het andere uiterste beland: dat van de onverschilligheid. We worden dagelijks omringd door Nederlandse tolerantie, die vooral lijkt in te houden dat we elkaar niet lastig moeten vallen. Leven en laten leven. Je hebt recht op een priveleven, waarin je, zolang je een ander niet tot last bent, kunt doen en laten wat je wilt. Achter je voordeur kan niemand je wat maken. Dat is allereerst een voorrecht denk ik. Ik ben er in elk geval zeer aan gehecht. Tegelijk kun je je afvragen of een zekere hoeveelheid sociale controle niet ook gezond is. Want naast al het goede, onttrekt zich ook het kwade aan het daglicht. Als ik kijk naar de buurt waarin ik woon, een pracht- of kracht wijk, of hoe je het maar noemen wilt, een achterbuurt, zou het denk ik een heleboel ellende schelen wanneer men wat meer op elkaar betrokken is. Hoeveel huiselijk geweld tegen kinderen en vrouwen zou er niet eerder ontdekt worden, hoeveel verslavingen zouden er niet door begrensd worden, hoeveel eenzaamheid niet een beetje worden verlicht? Een beetje meer betrokkenheid op elkaars levens zou denk ik in deze tijd geen kwaad kunnen.

De vraag is natuurlijk hoe die betrokkenheid geuit wordt, en hoe we met het falen van de ander omgaan. Als ik eerlijk ben, gebruik ik het falen van de ander wel eens in mijn eigen voordeel. Even met een collega over een ander praten om er zelf net iets beter bij af te steken, tegen de buurvrouw een slecht verhaal ophangen over iemand uit de straat; even bij een derde breed uitmeten hoe zo’n onrecht iemand me heeft aangedaan. Zijn zo wat dingen die mij te binnen schieten over mezelf en misschien hebt u uw eigen voorbeelden. Het zijn van die dingen, waarvan je kan zeggen: ‘da’s niet zo chique’, met ons Nederlandse gevoel voor understatement. En, nou ja, ik krijg het ook niet zo goed over mn lippen maar zou je dat soort dingen niet met dat hele ouderwetse woord ‘zonde’ moeten benoemen? Ja, nog zo’n woord met een nare bijsmaak, dat we al bijna hadden afgeleerd. Het is in elk geval een woord dat in het evangelie van vanmorgen valt.

Hoe gaan we met het falen van een ander om, onze familie, onze vrienden, collega’s, buren en natuurlijk, want daar gaat het in de tekst om: onze mede-gemeenteleden? Binnenbrandjes en conflicten, onrecht dat de een de ander aandoet, het bestaat allemaal, ook in de kerk. En ook in de vroege eerste christengemeentes, waarin de evangelietekst van vanmorgen is ontstaan. Dat is misschien goed om te bedenken, want ik zie steeds vaker gebeuren dat het leven in die eerste gemeentes nogal wordt geidealiseerd. Uweetwel, die ‘mensen van de weg’, nog dicht bij het vuur van Jezus, nog geen instituut, gezellig bij elkaar aan huis, alles samen delen en eensgezind tegen de verdrukking in. Allemaal waar, maar ook in die eerste gemeentes was gekonkel, waren mensen bot tegen elkaar, waren er machtsspelletjes enzovoort. Net mensen. Net als wij. Gewone mensen, met dus ook botsende karakters, ruzies, onbegrip, kerkpolitiek gedoe, met driften naar macht en seks en geld. Maar ook mensen met een nieuw visioen onder de leden van hoe het ook zou kunnen tussen mensen. Een wereld waarin de een de ander geen kwaad meer doet. Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen, zingen de engelen met kerst.

Gelukkig heeft de vroege christengemeente begrepen dat die wereld er niet zo 1-2-3 even komt. En ook dat zij niet, als geliefde bruid van Jezus, een zondeloze en pure vredelievende gemeenschap was, een stukje hemel op aarde. Toen en daar, en hier en nu is het evangelie een schat in aarden vaten, zoals Paulus het zegt. Een kostbaar medicijn in kwetsbare mensen. We hoeven over de eerste christenen, en over onszelf als gemeente geen zonnig beeld te schetsen, dat niet met de werkelijkheid overeenkomt. En tegelijk leven we van de schat, het visioen dat in ons leeft. Net als de vroege gemeente, die de woorden van Jezus indachtig werd, over hoe om te gaan met falende medemensen.

Eerst leren we van Jezus iemand onder vier ogen te spreken. Onder vier ogen spreken we met elkaar in vertrouwen. Kunnen we elkaar de waarheid zeggen, oog in oog. Dat is een goed advies, want ongetwijfeld sticht ik zo meer vrede dan door mijn beklag en mijn roddels uit te storten over een derde. Het is niet de gemakkelijkste weg, want ik moet iemand aankijken en volkomen eerlijk zijn. Maar essentieel is dat ik op ooghoogte sta met de ander. Immers, zelf faal ik ook geregeld, ben ik bot, verblind, liefdeloos. En dus kan ik nooit geharnast in mijn eigen gelijk, met mijn hoge morele standaarden iemand terechtwijzen. Ik sta op ooghoogte met mijn naaste, die is als ik.

En pas als een vertrouwelijk gesprek tussen gelijkwaardige mensen niet voor herstelde orde zorgt, pas dan kan er een getuige of een vertrouwenspersoon bij komen. Dat is nog steeds een kleine cirkel. Een genuanceerde oplossing. Ook dat is een goed advies in onze tijd, waarin iemand of zijn falen verborgen kan houden achter de voordeur, maar, als het ontdekt wordt, aan de hoogste boom moet. Zodat wij een zondebok hebben, en onze eigen duisternis nog altijd licht afsteekt bij noem eens wat namen, Bill Clinton (ok dat is lang geleden), of Diederik Stapel of Dominique Strauss-Kahn. Alle drie mannen trouwens, maar dat zal wel toeval zijn.

Pas als het vertrouwelijk gesprek, en het gesprek met onafhankelijke vertrouwenspersonen voldoende is gevoerd, pas dan spreekt Jezus over uitstoting uit de gemeenschap. En ook dat, die uitstoting, moeten we goed in de context van het hele hoofdstuk zien. Het gelezen gedeelte wordt vooraf gegaan door de gelijkenis van de goede herder die de kudde achterlaat om een verloren schaap te vinden; en direct gevolgd door de uitspraak van Jezus dat we iemand 7 maal 70 keer moeten vergeven. Gods bedoeling om mensen erbij te houden en door hun falen heen te kijken, voert te boventoon.

Alles bij elkaar lees ik in de woorden van Jezus een realistische, milde en humane manier van omgaan met het tekort van de ander. Altijd op ooghoogte, indachtig aan mijn eigen tekort, en binnen een veilige sfeer. En het elkaar aansporen tot het goede, en elkaar aanspreken op een tekort heeft als doel om de gemeenschap te herstellen. Je hebt het welzijn van de ander op het oog. Voorbij aan alle zwarte pakken en drukkende controledwang, zouden we het voorzichtig weer eens kunnen proberen: een beetje meer betrokkenheid op elkaars leven, ook op de schaduwzijden ervan. Want waar wij elkaar begenadigen, waar wij samenstemmen en elkaar willen naderen, daar is de Opgestane in ons midden.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s