Home

Overweging bij het thema ‘Menselijke grondstemmingen: walging’

Michaelsviering op 14-9-2014 in de Grote Kerk te Zwolle

Walging als grondstemming

In deze nieuwe serie Michaelsvieringen staan we stil bij menselijke grondstemmingen. We hopen op ervaringen te stuiten die zo met ons bestaan verbonden zijn, dat je kan zeggen dat ze de grond ervan uitmaken. We zoeken naar wat het is ‘een mens te zijn op aarde, in deze wereldtijd’. Waar we raken aan de grond van ons bestaan, zou misschien iets van God op kunnen lichten. Of niet. Dat is de spanning waarin we staan, waaraan u zich blootstelt door hier te zijn gekomen. De komende tijd zullen onder andere passeren: schaamte, angst, verlangen, kwetsbaarheid. En vandaag dus: walging.

Walging is een vergeten emotie, volgens het wetenschappelijk tv programma Labyrint. In een aflevering uit 2013 vertellen enkele onderzoekers over de functies van walging. Het is een van de zes basisemoties de we hebben. Walging stelt ons in staat om evolutionair te overleven. Doordat we walgen van sommige dingen geeft ons lichaam aan waar gevaar in schuilt, wat het overleven van de soort bedreigt. Bij vieze smaken of moreel perverse gedragingen vertonen we allemaal dezelfde walgingsimpuls. Die bestaat in het optrekken van de linkerbovenlip, het fronzen van de wenkbrauwen en het toeknijpen van de ogen, soms ook gepaard met het uitsteken van de tong. De ene mens meer walgt dan de andere. Het slechte nieuws is dat wie van meer dingen walgt, ook moreel intoleranter is. Walgende mensen hebben vaker een hekel aan homo’s of buitenlanders. Niet op grond van overtuigingen, maar gewoon, omdat ze het vies vinden. Het goede nieuws is dat die walging positief te beinvloeden is. Houdt een marokkanenhater bijvoorbeeld erg van aardbeien, dan zou het een goede therapie zijn om hem al aardbeien-etend naar foto’s van marokkanen te laten kijken. Volgens de onderzoekers is er nog veel werk te verzetten als het op de walging aankomt.

De walging waar deze onderzoekers het over hebben, is niet exact de walging waar het vandaag over gaat. Walging als emotie richt zich op dingen die walgelijk zijn. Echter, walging als grondstemming richt zich niet op vieze dingen, maar op het bestaan, het zijn als zodanig. In de fragmenten van de Franse filosoof Jean Paul Sartre uit zijn roman De Walging uit 1938 maken we kennis met de sombere wereld van Antoine Roquentin. Hij slijt zijn dagen in de bibliotheek, werkend aan een biografie over een zekere markies de Rollebon. Dat lijkt het enige dat zijn bestaan iets van zin geeft. Verder hangt Roquentin uit in cafés en op de boulevards, waar hij de illusies en pretenties van de mensen met een grote afkeer en vervreemding beziet. Zo ontmoet hij een man die hij De Autodidact noemt, omdat hij alle boeken in de bibliotheek op alfabetische volgorde wil lezen en zodoende wijs worden. Sartre levert door deze figuur kritiek op dat wat in onze cultuur maar al te gemakkelijk voor kennis doorgaat. Maar werkelijk inzicht in het bestaan is volgens Sartre anders, het is niet systematisch voorhanden in boeken. Pas achter de verschijningsvormen van de dingen, onder de culturele laag beschaving, onder het vernis van woorden stuiten we op de aard van het Zijn. Door alle sociale conventies, en door de taal die we gebruiken worden we daar bijna constant van gescheiden. Zo vergaat het in elk geval Antoine Roquentin, tot het moment dat hij als het ware het Zijn zelf aanschouwt. Hij dringt door in het wezen der dingen. Maar het gewicht van dat besef is voor hem niet te dragen. Het roept De Walging bij hem op. Hij verzinkt erin als in een zuigend moeras en je hoopt dat er nog iemand is die hem er uit trekt.

In de Stadstuin

Uit: Jean Paul Sartre, Walging, 139; 143

Ik was zoëven in de Stadstuin. Juist onder mijn bank drong de wortel van een kastanjeboom in de aarde. Ik herinnerde mij niet meer wat een wortel was. De woorden waren bezweken en met hen de betekenis van de dingen, hun gebruikswijzen, de zwakke merktekenen, die de mensen op hun oppervlakte aangebracht hadden. Ik zat, een beetje gebogen, het hoofd naar beneden, tegenover die zwarte en knoestige massa, die volkomen ondoordringbaar was en me angst aanjoeg. En toen heb ik die helderheid gekregen.”

“Ik zat daar, onbewegelijk en ijskoud, gedompeld in een afschuwelijke geestvervoering. Maar in de boezem zelf van die geestvervoering kwam iets nieuws verschijnen; ik begreep de Walging, ik bezat haar. (….) Het essentiële is het toevallige. Ik wil, bij definitie, zeggen, dat het bestaande niet het noodzakelijke is. Bestaan is eenvoudig er zijn: de dingen, die bestaan, verschijnen, vertonen zich, maar men kan hen nooit herleiden. Ik geloof dat er mensen zijn, die dat begrepen hebben. Zij hebben allen geprobeerd die toevalligheid te overwinnen, door een noodzakelijkheid uit te vinden, die haar rechtvaardiging in zichzelf draagt. Maar geen noodzakelijk wezen kan het bestaande verklaren: de toevalligheid is geen valse schijn, een verschijning, die men kan laten verdwijnen; het is het absolute, bij gevolg het volkomen zinloze. Alles is zinloos, die tuin, deze stad en ikzelf. Wanneer men zich daar rekenschap van geeft, raakt zo iets je tot in de kern en begint alles te vervloeien.”

Op de bank – Derko Laan

Overweging

Op de omslag van De Walging, en voor op de orde van dienst vindt u een illustratie van Dick Bruna. Daarin schuilt een zekere ironie. De man die kinderen de veilige wereld van de woorden binnenvoert, als papegaai en dierentuin, en trein dat rijmt op Nijn tekent een figuur die meemaakt hoe diezelfde veilige woordengrond onder hem vandaan valt; De man die de simpele gestaltes schiep van moeder Pluis en oom Vliegenier, roept hier in hetzelfde lijnenspel de contouren van Antoine Roquentin, hoofdpersoon uit De Walging, op. Heldere lijnen voor een man die alle grenzen ziet vervagen, voor wie de wortels van een kastanjeboom in de Stadstuin een ondoordringbare massa worden.

We zien een man. Hij kijkt ons aan met lege ogen, wat mismoedig, troosteloos. Er staat een fles op tafel.

De ervaring van De Walging betekent voor deze man zoiets als dat de alledaagse dingen hun vertrouwdheid, vanzelfsprekendheid verliezen. De mensen en de dingen worden uit hun verband getild en op zichzelf gezet.

Alles wordt vreemd. De mensen die paraderen over boulevard en winkelstraat, de dingen die ze elkaar toeroepen of in het oor fluisteren, de sociale orde die alles bij elkaar houdt; maar ook dus kastanjebomen, hekken, stenen, de voorwerpen waarmee we ons omringen. Ineens is het alsof ze op een afstand staan, alsof ze absurd zijn geworden. Alles staat zomaar te kijk, ‘met een ontuchtige naaktheid’, zegt Roquentin. En de woorden plakken niet meer op de dingen, namen zeggen niets meer. Er is alleen maar hun zijn, hun kale bestaan en niets dan dat. Er is geen betekenis.

Dat krijg je er van, kan je denken, als je een eenzame man in een cafe bent, dat je de wereld zo gaat bekijken. Zet de fles weg, slaap je roes uit, en wordt dan weer wakker in de gewone mensenwereld. En kijk me niet zo aan, zo leeg, zo mismoedig.

Of neem dit beeld hier naast mij. Op de bank, van Derko Laan, schilder van beroep, en vandaag onze lector. We zien een man en een vrouw op een bank. Hij, uitgezakt en dof, kijkt weg, zij heeft geen gelaat. Een ongemakkelijk beeld. Kijken ze tv? Of staart hij slechts de leegte in voor hem en staren wij in het lege gezicht van de vrouw? Ik wil dit niet zien, De Walging komt opzetten om de leegte van deze twee levens, als je ze zo kunt noemen. Ik wil wegzappen.

Maar de ervaring van De Walging is als een boomerang: met de vaart waarmee je hem van je af probeert te gooien, komt hij weer bij je terug. En wat zou ik hem graag van me afgooien, die angst, de gedachte dat ik hier heel alleen neergeworpen ben en dat het soms ineens kan lijken of de dingen hun grond verliezen. Meestal leef ik gewoon door, me van geen kwaad bewust en denk ik op mijn waarneming, woorden, begrip, mijn gevoel te kunnen vertrouwen. Soms zet mijn bewustzijn de deur op een kier, meestal druk ik hem snel weer dicht; alle tocht en narigheid die er dan binnenkomt… Maar soms laat het zich niet tegenhouden en sijpelt De Walging naar binnen. Vaak op momenten dat de alledaagse orde net een beetje scheefzakt, kantelt: in een gesprek waarin een ongemakkelijke stilte valt; in halfslaap als landschappen en kamers langs me heen schuiven als decorstukken en de tijd smelt en de gezichten van oude bekenden tot hun essenties zijn teruggebracht; op een drukke receptie en ineens bevind ik me in een glazen cocon waarop alle geroezemoes en gerinkel van glazen afketst; of in de Stadstuin, zoals Roquentin die, kijkend naar een kastanjeboom in geestvervoering raakt.

Hij raakt in een afschuwelijke geestvervoering en ik denk: dit is een mystieke ervaring. Maar niet een in de gebruikelijke betekenis, zoals we die kennen uit de verslagen van katholieke heiligen of verhalen over bijna-doodervaringen, waarin er licht is, oneindigheid, kleur. Hier toont zich niet het eeuwig licht, maar het Niets zonder opsmuk. Maar beide hebben gemeen dat voor even, in een flits, de tijd en de eeuwigheid zich op de staart laten trappen. In De Walging wordt even zichtbaar wat voor kolkend bewustzijn, wat voor diepte er onder onze alledaagse ervaring schuilgaat.

Is dit dan het einde? Een Niets waarin je verzwolgen wordt? Ook voor Roquentin blijft er iets over. Als De Walging van hem wijkt, staat hij op. Geen warme omhelzing van het bestaan rest hem, maar wel iets als een doorschijnende, ongrijpbare troost. Hoor wat hij zegt.

De tuin heeft tegen mij geglimlacht

Uit: Jean Paul Sartre, Walging, 147

“Ik stond op en ging heen. Bij het hek heb ik mij omgedraaid. Toen heeft de tuin tegen mij geglimlacht. Geleund tegen het hek heb ik lange tijd gekeken. De glimlach van de bomen, van het bos laurierbomen, wilde iets zeggen; dat was het ware geheim van het bestaan. (…) Richtte die glimlach zich tot mij? Gehinderd voelde ik, dat ik geen enkel middel bezat om te begrijpen. Geen enkel. Toch was het er, verwachtend, en het leek op een blik. Het was er, op de stam van de kastanjeboom…, het was de kastanjeboom. Dingen, men zou zeggen gedachten, die onderweg stilhielden, die zichzelf vergaten, die vergaten wat zij hadden willen denken en die bleven als dit, heen en weer geslingerd, met een grappige, kleine betekenis, die hun te boven ging. (…) Ik had over het bestaan alles vernomen wat ik er van vernemen kon. Ik ben vertrokken, teruggekeerd in het hotel en heb toen dit geschreven.”

———-

Afbeelding van het schilderij van Derko Laan is afkomstig van http://derkolaan.wordpress.com/

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s