Home

Overdenking op de derde zondag van de herfst

Morgendienst in Den Hoorn en De Koog (Texel)

Lezingen: Jesaja 5:1-7 en Mattheus 21:33-43

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

als u de laatste jaren wel eens Boer zoekt vrouw hebt gekeken, en als statistieken niet liegen heeft ongeveer een derde van ons dat gedaan, dan herinnert u zich misschien boer Gerhard. Een bijzondere vent. Niet een gemiddelde Sytze of Durk met koeien, varkens, strontkarren of spruitjes, maar een heuse wijnboer. Dat dat kon in Nederland, nou nou, je keek er van op. En te zien aan het aantal brieven dat Gerhard kreeg, bracht de wijnboer nogal wat vrouwenharten in vervoering. Zozeer, dat je als wanhopige man haast zelf een wijngaard zou beginnen. Waar de meeste deelneemsters van Boer zoekt Vrouw het moesten doen met een mok koffie en een homp ontbijtkoek, werden de dames bij Gerhard de wijnboer onthaald met een goed glas wijn. Vanaf het eerste moment droop de romantiek er vanaf. Het is goed toeven in de wijngaard van boer Gerhard.

Jesaja heft een lied aan over zo’n wijngaard. Je verwacht dat het een romantisch liefdesliedje gaat worden, een beetje in de sfeer van Boer zoekt Vrouw, of dichterbij de belevingswereld van Jesaja: een liefdesliedje zoals het bijbelse Hooglied. Dat klinkt ongeveer zo: ‘Wat ruikt de bloeiende wijnstok toch heerlijk. Sta op, mijn vriendin, kom toch, mijn mooiste…’ enzovoort. Lang voor boer Gerhard had men al wel door dat een wijngaard een mooie locatie voor een liefdesgeschiedenis is.

Maar het lied van Jesaja wordt geen vrolijk getoonzet liefdeslied. Zo begint het nog wel. Maar het lied ontwikkelt zich tot een waar drama met een tragische afloop. Dat zit zo. God was eens eenzame wijnboer. Eentje van het type grootgrondbezitter. Maar dat bevredigde niet. Het hele project liep uit de klauw. Dus besloot hij op een goede dag dat hij het anders wilde. Hij deed alles weg en begon een kleine proeftuin waar hij de beste wijn zou maken. Geen kwantiteit maar kwaliteit, goede arbeidsomstandigheden voor zijn personeel. En daar ging hij wonen met zijn lieve bruid, Israel. Een mooie tijd was dat. God was niet eenzaam meer en de wijngaard bloeide als nooit tevoren. Maar zijn geliefde werd op een kwade dag verliefd op een ander. Hij dacht bij zichzelf: ‘ik doe die wijngaard weg. Laat er maar onkruid groeien. Het zal toch nooit wat worden.’ Teleurgesteld sloop hij weg, ging ergens buitenaf wonen en liet lang niets van zich horen – maar daarover later meer.

Waar gaat dit over? Waar is het de wijnboer om te doen? Waarom begint hij het avontuur met Israel? Wat wil hij met die proeftuin? Het is allemaal beeldtaal in het lied van Jesaja, mooi, maar een beetje ondoorzichtig ook. Aan het einde van het lied wordt het duidelijk. Het is God begonnen om rechtvaardige verhoudingen tussen mensen. De laatste regel rijmt prachtig in het Hebreeuws en de vertalers hebben hun best gedaan er in onze taal ook iets moois van te maken. De NBV rijmt: hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting. Of de Willibrord: hij verwachtte goed bestuur, maar vond bloedbestuur. Of de Naardense Bijbel, die simpelweg recht en slecht op elkaar laat rijmen. En dat rijmen, daar zit nou precies de ironie. Want in Israel, zo wil Jesaja zeggen, probeerde men het goede op het kwade te laten rijmen. God zocht een plaats waar het anders ging dan overal. Een land waarin men in vrede leeft, waar de weduwen en wezen door de wet beschermd worden, waarin er genoeg is voor allen omdat er wordt gedeeld. In Gods goede gaarde moet wie kwetsbaar is, worden beschermd. Maar dat is uiteindelijk niet wat er gebeurt. Zelfs in de wijngaard rijmt slecht op recht, en bloed op goed.

En dat rijmpje klinkt akelig bekend in deze dagen. Uit naam van het goede, een eigen beschermd grondgebied, laat IS het bloed vloeien wie ze voor hun tegenstanders houden en staan Israel en de Palestijnen tegenover elkaar. Uit naam van ons eigen recht op een welvarend Nederland, een welvarend Europa, houden we de grenzen dicht, ook voor de stroom vluchtelingen uit het Midden Oosten. Nou ja, deze week arriveerden in mijn woonplaats Zwolle 400 vluchtelingen, die tijdelijk onderdak krijgen in het lelijkste gebouw van Nederland, de Ijsselhallen. Dat kon er nog net vanaf. Het goede op het kwade laten rijmen, doen alsof er niks aan de hand is. Deze week probeerde ik een leerling op de school waar ik werk uit te leggen, dat de kolonisatie van de rest van de wereld door Europa in de 16e eeuw een van de grootste kwaden uit de geschiedenis is geweest. Er stond een plaatje in zijn boek met allerlei vruchten en specerijen verspreid over de wereldkaart. Allemaal met pijlen naar Europa. Tja, zo ging dat in die tijd, en nog steeds. Gewoon door onschuldige handel, volgens hem. Maar het boek vertelde er niet bij dat onder het mom van economische groei de kleinen klein werden gehouden en de slavernij werd gerechtvaardigd. Veel te links natuurlijk, als ze je dat op school vertellen. Maar volgens mij rijmt het niet.

Terug naar de God, de eenzame wijnboer. Hij is in het buitenland, vertelt Jezus in de gelijkenis van de pachters. Hij zingt als het ware verder waar het wijngaardslied van Jesaja eindigde. Dat liep af met rechtsverkrachting en bloedbestuur. Ik verklap u vast dat het ook nu niet goed afloopt. Israel heeft de wijngaard in pacht. De wijnboer stuurt zijn knechten om de vruchten te halen. Hij durft zelf al niet meer te kijken, maar hij geeft het nog een kans. In die knechten zijn vaak de profeten gezien. Israel heeft niet naar ze geluisterd, maar ze gedood. Ten laatste stuurt God de wijnboer zijn eigen zoon en u mag raden aan wie de evangelist dan denkt. Maar ook de zoon wordt gedood. De laatste waarvan je nog hoopte dat het wat kon worden dat hij de moord en het onrecht nog kon keren, ook hij wordt vermalen in de malle molen het recht van de sterkste. En nu dan, vraagt Jezus aan de omstanders – en wij staan achteraan in die kring – wat zal de wijnboer nu doen? Inderdaad, hij zal de pachters verjagen en de wijngaard aan een ander volk.

Nu komen we op gevaarlijk terrein. Want de pachters staan voor Israel, die de profeten en de zoon hebben gedood. En die zijn erfdeel door eigen schuld verliest. De belofte gaat over op een ander volk, en vaak is daarbij gedacht aan de kerk, het nieuwe volk van God. De joden, met hun wettische geloof, hebben Jezus gedood en wij, de christenen, de ware volgelingen van Jezus, komen in hun plaats. Deze gedachte heeft de hele geschiedenis van de kerk gezorgd voor anti-semitisme, ook bij de grote meneren uit de christelijke traditie, onder wie Augustinus en Luther. En vandaar loopt er een stippellijn naar nazi-Duitsland. Dus dat andere volk, de kerk, wij, staan in een traditie van jodenhaat. Was het maar zo dat de kerk wel de prachtige wijngaard des Heren zou zijn. Gelukkig heeft de kerk van haar fouten geleerd, en na Auschwitz belijden wij als PKN met nadruk onze onopgeefbare verbondenheid met Israel. Dat wil niet zeggen dat we bijvoorbeeld het geweld van de huidige staat Israel kerkelijk moeten goedkeuren, geenszins. Maar het past op geen manier om ons als kerk boven Israel te verheffen, dat aanrommelende volkje des Heren. We moeten onszelf niet te snel identificeren met dat volk uit de gelijkenis van de pachters, dat de belofte erft. Daarvoor is de geschiedenis van de kerk er zelf teveel een van hetzelfde bloedbestuur.

De vraag is nu: hoe wordt dat dramatische einde van het lied van de wijngaard van Jesaja en de gelijkenis van Jezus omgebogen? Wanneer zal de aarde weer doen denken aan die goede wijngaard, zoals die van boer Gerhard, waar de wijn rijkelijk vloeit en er een liefdesliedje door de ranken kringelt? En wanneer komt de wijnboer terug? ‘God week te lang geleden uit ons bestaan / God is in eeuwigheden op reis gegaan’ – dichtte Muus Jacobse bij de gelijkenis. Zal hij ooit zijn koffers nog eens pakken en bij ons terugkeren?

Willen we hem zien terugkeren, dan moeten we goed opletten. Want het gaat niet zoals we dat van een god mogen verwachten. Niet met bombarie en donder en bliksem, maar stilletjes en als een verrassing. Dus let goed op. Hij verschijnt als een steen die bouwlieden hadden weggegooid. Of als een mens waar je geen cent meer voor geeft, ontdaan van alle waardigheid. Hij dient zich aan in de kluitjes asielzoekers op stapelbedden in een sporthal. Hij huist in de schreeuwende kelen van protestgangers op de pleinen. Je ziet hem langslopen in de gestalte van gekken en dwazen. Hij zit in je steeds meer krakende botten en vochtophopingen, in je lijf dat je in de steek laat. Hij kruipt in de kieren van je verleden, de zwarte gaten van het vergeten, in de kelders van je gemis. En hij toont zich met een glimlach waar mensen elkaar aankijken, de vrede van Christus wensen en proberen zich, zo goed en zo kwaad als dat gaat, met elkaar te verzoenen.

En opeens, zonder dat iemand het had gemerkt, was hij terug: God de wijnboer. Kijk, hij zet een nieuw hek neer om de tuin, spit hem om en haalt de stenen weg. Hij zet nieuwe stekjes uit en vult zijn gieters. Hij bouwt een nieuwe wijnpers en een uitkijktoren. Daar gaat hij in staan, op de uitkijk. Hij ziet de wijngaard, die ligt er prachtig bij. Er mist alleen een ding. De stoel naast hem is nog leeg. Hoog tijd om hem een mooie brief te schrijven.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s