Home

Overdenking op de vijfde zondag van de herfst

Morgendienst in de Gereformeerde Kerk te Berghuizen

Lezingen: Jesaja 45:1-9 en Mattheus 22:15-22

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

als u uw portemonnee eens leeg zou schudden – dat hoeft nu niet meteen, u mag dat straks in de collecte doen – dan is de kans groot dat er allerlei verschillende beeldmerken op uw euro’s te vinden zijn. Waar vroeger alleen het vertrouwde hoofd van koningin Beatrix onze munten sierde, moet Willem-Alexander die eer delen met vele andere symbolen. De meeste monarchien beelden hun koning of koningin af. De republieken die Europa rijk is, zijn een stuk creatiever, immers de president wisselt elke vier jaar. In Oostenrijk siert Mozart de euromunt, Frankrijk kiest voor een boom omlijst met de leuze ‘vrijheid, gelijkheid broederschap’, Italie beeldt Leonardo da Vinci vol trots af, en waarschijnlijk hebt u tussen uw munten wel een Brandenburger Tor of adelaar afkomstig uit Duitsland zitten. Zeker bij die munten afkomstig uit republieken wordt wel heel duidelijk wat de trots van een land uitmaakt en wat de kernwaarden zijn waarmee het zich verbindt. Wat mij fascineert, is wat er in levensbeschouwelijk opzicht mee wordt uitgedrukt, op die munten. Een munt is niet alleen maar simpel een betaalmiddel, maar er worden politieke en culturele ideeen mee uitgedragen. Er gaat een ideologie achter schuil. Aan de munt kan je zien waar het in Europa om te doen is. Europa staat voor diversiteit, voor kunst, voor vrijheid, voor de Verlichting, het vrije denken, vrije handel. En, vooruit, op sommige munten vinden we nog een verwijzing naar God, zoals op onze 2-euro munt. Vroeger waren er nog drie Nederlandse munten met de spreuk ‘God zij met ons’, en in die zin komt Onze Lieve Heer er bekaaid vanaf sinds de invoering van de euro. Maar even leek het erop dat, op aandringen van o.a. D66, de spreuk in zijn geheel zou verdwijnen. Dat dat niet is gebeurd, stemde SGP-voorman Bas van der Vlies destijds ‘dankbaar’, aldus het Reformatorisch Dagblad van 12 juni 1997. Want is Nederland niet een vanouds christelijke natie, en moeten we dat dan niet op onze munt uitdragen?

Tja. God en het geld. Dat botert niet zo als je het evangelie leest. Je kan niet God en de mammon dienen, is dan het eerste dat mij te binnen schiet. Je moet kiezen. God en geld zijn elkaars tegenstanders. Je richt je op geestelijke zaken, op gebed, barmhartigheid, spiritualiteit, zeg maar de zachte krachten van het bestaan. Of je gaat voor aardse zaken, de hardware waarmee je de blits kan maken: geld, auto’s, boten, of waar ik persoonlijk wel een zwak voor heb: dure koffiemachines. Als de scheiding echt zo scherp is, en God de natuurlijke tegenstander van geld is, dan zou juist de SGP misschien wel moeten pleiten voor de afschaffing van het randschrift. Want waarheen rolt al dat geld, op het randje van ‘God zij met ons’? Ons geld pompen we rond in een verziekt systeem. De rijken worden rijker, de armen armer. Van slechts een paar producten in de supermarkt hebben we de keuze om ze Fairtrade of biologisch aan te schaffen. Overigens werd kort geleden uit onderzoek duidelijk, dat er een negatief verband bestaat tussen calvinisme en bewust consumeren. Hoe gereformeerder, hoe minder Fairtrade. Nou ja, ik noem het maar even. Het kan heus geen kwaad, zeg ik ook tegen mezelf, om toch maar die net iets duurdere bananen mee te nemen. Maar zelfs al zou je zo bewust en consequent zijn om die producten te kopen, dan nog ontkom je niet aan de scheefheid in het systeem. Want wij kunnen met invoerbelasting onze economie beschermen en dumpen tegen bodemprijzen onze overschatten op de markt van de Derde Wereld, zodat de locale economieen daar kapot gaan. Allemaal niet zo best, niet hoogstpersoonlijk jouw en mijn schuld, maar het zijn wel allemaal God-zij-met-ons-euro’s die daar rollen. Ja, God zij met óns, maar het zou ook mooi zijn als God met die ander zou zijn, die tegen een hongerloon kleding of voedsel produceert. God en het geld, dat zijn vaak twee tegengestelde machten.

En dan komt er een groep Farizeers en Herodianen langs bij Jezus, met een valsstrik, om hem uit de weg te ruimen. Ze vragen Jezus of ze belasting aan de keizer moeten betalen. Als Jezus dat ontkent, zullen ze hem aan de Romeinen kunnen verlinken. Maar als hij positief staat tegenover belasting voor de keizer, gooit hij de kern van het jodendom te grabbel. Er was binnen het jodendom van die dagen verdeeldheid over de Romeinse belasting. Sommigen hadden er niet zoveel moeite mee. Anderen, zoals de zeloten, de revolutionaire partij, waren van mening dat het Romeinse juk afgeworpen moest worden. Onder de volgelingen van Jezus vind je mensen met die overtuiging. Geregeld moet Jezus duidelijk maken dat zijn rijk niet van deze wereld is, dat hij niet gekomen is om de Romeinse bezetter te verjagen. En hij is dus ook niet gekomen om de belasting af te schaffen. Leuker komt hij het niet maken, wel geestelijker.

Op de Romeinse munt was keizer Augustus afgebeeld. Je kunt wel zeggen: een man die aan grootheidswaanzin leed. De keizers voor hem hadden zoiets nog niet gedurfd. Maar Augustus beschouwde zich als God-zelf en om dat te onderstrepen stond zijn beeltenis op de munt. Wat geldt voor onze euromunten, geldt zeker ook voor deze Romeinse munten. Het is niet een kaal betaalmiddel, maar je hebt een hele ideologie, een heel politiek stelsel in handen, waaraan je meewerkt door ermee te betalen. Zolang dat je eigen munt is, vertrouw je het zaakje wel. Zolang Beatrix de munten sierde, was er niks aan de hand. Nu je ook zomaar een Griekse euro in je hand kunt hebben, is het al een ander verhaal. Maar het zaakje stinkt als je moet betalen met de munt van een bezetter, en je door het betalen van belasting je eigen onderdrukking in stand houdt. En ook als dat stelsel, zoals het Romeinse, ruimte biedt aan zwendel en corruptie. Denkt u aan de figuur van Zacheus. Nu was de bezetting door de Romeinen natuurlijk niet heel gezellig voor de Joden, maar op zich moeten we het ook niet overdrijven. De Romeinen hebben de tolerantie uitgevonden, die ze in staat stelde een enorm grondgebied gedurende lange tijd onder controle te houden. Dat deden ze door de lokale cultuur de ruimte te geven. Daardoor kon de Pax Romana, de Romeinse vrede, zo lang bestaan. De Joden mochten hun godsdienst houden, en ze hadden nog best poltieke invloed. De Romeinen waren er niet zo happig op om zich te bemoeien met lokaal gedoe, zoals je bijvoorbeeld ziet aan Pilatus, die zijn handen in onschuld wast wanneer hij die oproerkraaier Jezus van Nazareth ter dood veroordeelt. Als het volk maar rustig is, en belasting betaalt, dat wel natuurlijk. Wat dat betreft is Augustus, die zichzelf als God ziet, van een heel ander slag dan de God van Israel. Augustus accepteert lippendienst, niet alle neuzen hoeven dezelfde kant op, niet iedereen hoeft hem te aanbidden in zijn hart. Als er maar betaald wordt, zodat zijn cultus en zijn rijkdom in stand blijven. Precies het tegendeel van de Ene van Israel. Die wil overgave van zijn onderdanen, en hij hoeft hun offers en hun geld niet, als het ze verder niks kan schelen wie hij is.

En precies hier zit de crux van het antwoord van Jezus, waarmee hij zijn achtervolgers stil krijgt. ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is, en aan God, wat aan God toekomt.’ De keizer kan het niks schelen wat zijn onderdanen denken, wie zij zijn. Voor hem zijn de mensen nummers, betalers, naamloze consumenten die zijn imperium draaiende houden. Zoals het de keizers van onze dagen uiteindelijk allemaal weinig kan schelen wie hun onderdanen zijn, hoe het ze werkelijk gaat. Hoe veilig de fabrieken en plantages zijn waarop ze werken, of dichterbij, of ze zich in de kantoorjungle of in het productiewerk nog als persoon gewaardeerd voelen. Godzijdank zijn er directeuren en werkgevers die menselijkheid hoog in het vaandel hebben. Maar het zijn uitzonderingen. Jezus weet van de verdorvenheid van die systemen. Het is nu eenmaal de wereld waarin we leven. We hoeven ons er niet uit terug te trekken en op een onbewoond eiland iets nieuws te beginnen. We kunnen maar het best onze burgerplichten vervullen, zeker in ons democratische land ben je daarmee heus niet slecht af. Maar zaligmakend is dat alles niet.

Want de nadruk in Jezus’ antwoord valt op ‘geef God wat God toekomt’. God, voor wie ik en jij geen nummer zijn, die niet ten koste van alles zijn macht in stand wil houden, maar er afstand van doet om ons te zoeken. Bewaar je hart voor die laatste, grotere werkelijkheid. Schenk je arbeid en je welwillendheid aan de politiek en de economie, maar verpand er niet je ziel aan. Het zou toevallig kunnen dat God met ons is wanneer we met geld bezig zijn. Maar waarschijnlijker is dat we hem ergens anders op het spoor komen. Niet waar de macht en het geld zetelen, maar in de hoek waar de klappen vallen. God is de waardigheid van een mens, ook als alle dingen uit zijn handen vallen. Hij is de glorie van de mens op de bodem van het bestaan. Hij is de kostbaarheid van een mens die niet in geld is uit te drukken. En wil je God geven wat hem toekomt houd dan een plek in je ziel vrij voor het onverwachte, en zing een lied voor Hem die wij verwachten.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s