Home

Overdenking op de tweede zondag van Advent

Morgendienst in de Oude Kerk te Amsterdam

Lezingen: Jesaja 40:1-11 en Johannes 1:19-28

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Wat is er voor nodig om een volk te troosten, vroeg ik me laatst af toen ik in de IJsselhallen in Zwolle stond en lange rijen stapelbedden met Syrische vluchtelingen zag. Wat is er voor nodig dit volk te troosten? Een kopje koffie, een potje voetbal, en warmer schoeisel dan de badslippers die ze van de organisatie hadden gekregen? En misschien, maar niet te opdringerig zo luidde de waarschuwing, om een verhaal te horen van een van de mannen. Als je al de medemenselijkheid kunt opbrengen om iets te doen voor zo’n vernederd volk, dan rijst gelijk al levensgroot deze vraag op: waar moet je in hemelsnaam beginnen?

Wat is er voor nodig om een volk te troosten? De Syriërs, en wat te denken van het joodse volk… Een paar weken geleden stond ik als kersverse pionier op de Nieuwe Keizersgracht, voor het hoofdkwartier van de PKA, en mijn oog viel op de namen op de kade van de joden die aan de overkant hadden gewoond en waren gedeporteerd naar Sobibor en Auschwitz. Waar begin je als je een volk wilt troosten, als het zulke gruwelen heeft meegemaakt? Een paar namen op de kade, die iets van het grote drama terugbrengen tot iets overzichtelijker en invoelbaarder drama’s – dat zou een begin kunnen zijn.

Ja, hoe troost je een volk? Hoe ontroostbaar en hoe plotseling reddeloos ook was ons land deze zomer bij de crash van MH17. Troostend voor veel mensen waren de woorden en gebaren van minister Frans Timmermans; zijn bewogen voorstelling van de menselijkheid van het drama, zijn omhelzing van nabestaanden. En zorgvuldigheid had ook troostend kunnen zijn, wat we helaas leerden uit een schrijnend gebrek daaraan. De terugkeer van de resten van het vliegtuig zal voor velen slechts voelen als een schrale troost: te slordig en te laat.

En hoe zal je een heel volk troosten als je uit ervaring wel weet hoe moeilijk het is om slechts een mens te troosten. Hoe om te gaan met iemand die rouwt om een verloren geliefde, of om iets van zichzelf dat verloren is gegaan? Hoe moet je zwijgen, hoe dichtbij mag je komen, hoe bereik je de diepte van het verdriet van een ander? Hoe deel je de stilte, en wanneer het dan wellicht tijd is om die stilte te doorbreken – maar voel het moment maar eens aan – wat zeg je dan, en hoe. Troosten: het is zoeken, en geduld oefenen, aandacht kunnen opbrengen.

Je zal dus maar, zoals de tweede Jesaja, de opdracht krijgen om te troosten, en wel een heel volk, en wel één dat alle mooie dromen zag sneuvelen dat in de dwangbuis van de knechtschap moest gaan. Een volk waar willekeurig gaten in geslagen waren, met als grootste gat: de tempel van Jeruzalem. Met als grootste gat daar weer in: de God van Israel, die blijkbaar niet thuis gaf toen het er op aan kwam en de vijand voor de poort stond. Al die mooie beloften en stoere taal van een god die opstaat in de raad van de goden en ze wel eens even zal vertellen in wiens schaduw ze staan; die taal kan nu niet meer gebezigd worden, na de grote catastrofe, de wegvoering naar Babel. Als er nu gesproken wordt, dan zal het anders moeten zijn. Geen grote woorden meer over onze morele voortreffelijkheid, over een god die de overtreffende trap van onze macht is. Als eens het koude zwijgen doorbroken moet worden – maar voel het moment maar eens aan – dan zal het een zwakke taal moeten zijn, bescheiden over onze eigen mogelijkheden, realistisch over de zuiverheid van onze gewetens en voorzichtig over God.

Bij de tweede Jesaja komt die taal en die werkelijkheid in zicht. Alhoewel ik aan het eind van de lezing alweer denk ‘daar gaan we weer’, als er staat dat ‘de Ene zal komen in sterkte, zijn arm zal de heerschappij voeren’. Al bijna sta je weer in het gelid, of duik je weg voor zijn zweep. En dat prachtige beeld dat elke advent weer terugkeert, van een weg die bereid moet worden, geëffend en wel, dat beeld is ook oorlogstaal! Een heirbaan maken, de weg effenen, dat deed je voor een overwinnende koning. Daar komt hij aan, de trotse overwinnaar, met alle legers en zijn buit achter zich aan, de grote god die ze te grazen heeft genomen. Voor je het weet is deze god de zoveelste tiran, alleen deze keer staat hij aan jou zijde. Voor je het weet zit je weer in het blinde triomfantalisme dat je net had afgeleerd. Op die manier wordt de cirkel van geweld nooit gebroken.

Maar hoe kan het dan wel? Die vraag is de vraag van de tweede Jesaja aan het eind van de ballingschap. En in onze tijd is die vraag op een eigen wijze bijzonder actueel. Hoe kun je geloven in god, na de dood van god? Want steeds opnieuw sterft hij weer, die grote sterke god. Hij sterft waar mensen het besef overvalt dat ze kleine, kwetsbare mensen zijn. Hij sterft als de hoop en verwachting van een volk teniet wordt gedaan in de ballingschap in Babel, in de shoah van de 20e eeuw, in oorlog in Syrie en Irak, na een nationale ramp. En hij sterft met mij mee als ik zelf sterf aan dit leven, omdat ik de controle kwijtraak over dat wat ik in de hand dacht te hebben: een duurzaam geluk, de liefde, financiele zekerheid. Of wanneer ik mensen los moet laten die ik het liefst vast zou houden: mijn kinderen en hun levensweg, vrienden die uit mijn leven verdwijnen, geliefden die ik verloor aan de dood. Waar mensen kwetsbaar worden, sterft de god van wie je had verwacht die hij alles in de hand had.

En dan? Dan klinkt er een stem, die zegt: Roep! En ik zeg: wat zal ik roepen? Want valt er nog iets te roepen tegen een volk, tegen een mens wanneer het de eigen kwetsbaarheid aan den lijve ondervindt? Alle vlees is gras en gaan de wind en de zon erover, dan is het snel gedaan. Mensen gaan voorbij. Want het is heel mooi natuurlijk, kwetsbaarheid, naast authentiek kun je in deze tijd niets beter zijn dan dat; maar als je werkelijk kwetsbaar bent, als dat de menselijke situatie in wezen is, dan valt er misschien wel helemaal niets te troosten. Dus als we vandaag de stem verstaan die ons oproept om te troosten – een naaste die onder gemis en verdriet gebukt gaat, een volk dat zucht onder een nationaal trauma, of onze eigen stad met alles wat zich daarin aan pijn aandient – dan is het niet zo vreemd als we moedeloos zijn en weerstand bieden aan die stem.

En de stem begrijpt dat. Want de stem veert mee: inderdaad, gras verdort, en bloemen vergaan, ensen gaan zomaar voorbij en met hen hun hoop en verwachting. Zo is dat met de stem die wij in onze ziel verstaan: het is er niet een die over ons heenraast; ‘niet als een storm, als een vloed, niet als een bijl aan de wortel komen de woorden van God’, zingt een bekend lied van Oosterhuis. Maar tegelijk laat de stem ons niet over aan onszelf. Als onze verzuchtingen zijn uitgeklonken, en pas dan, spreekt hij ons troostend toe. Onder alle ervaring van verlies, troosteloosheid en moedeloosheid vernemen wij een woord dat in eeuwigheid stand houdt, dat ons altijd zal dragen. Een woord dat geboren wordt uit de mond van God. Het komt tot ons in de gestalte van een mens. Om het cruijffiaans – en dus messiaans – uit te drukken: wij wachten op het woord wie tot ons komt. Een woord van wie Johannes ons spreekt. Wij wachten hem, en het geheim is: hij is er al. Midden onder u staat hij van wie u niet weet. Onder de oppervlakte, als je zorgvuldig luistert en kijkt. Misschien staat hij wel naast je, als je het wilt zien, hier en nu naast je, of straks in de kring rond de tafel. Of morgen op de hoek van een straat, hopend dat je hem ziet staan.

In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s