Home

Overdenking op de Feestdag van de doop van de Heer

Morgendienst op 11 januari 2015 in de Grote Kerk Dalfsen

Lezingen: Jesaja 55:1-11 en Marcus 1:1-11

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

We zongen zojuist over ‘ons volgekladderd leven’ [Lied 524]. Het zijn van die woorden die zomaar weer wegwaaien na het moment dat je ze gezongen hebt, er passeren immers zoveel woorden in een dienst. Maar misschien haken ze wel ergens aan. Ik wilde er, op deze feestdag van de doop van de Heer, graag bij stil staan, bij dat beeld. Ons leven als een strak geschilderde witte muur met daarop graffiti gespoten. Graffiti, dat waar netjes opgevoede mensen hun hoofd over schudden: de jeugd van tegenwoordig, het is toch wat. En ik, die mezelf nog net tot de jeugd van tegenwoordig reken, denk ook wel eens watskeburt als ik langs zo’n bekladde muur loop. De uitdaging lijkt voor de ‘kunstenaars’ het meest te liggen in ofwel net nieuwe gebouwen, ofwel in hele oude – misschien is deze kerk ook wel eens slachtoffer geweest. Graffiti, meestal is het een simpele maar brute aantasting van iets wat met moeite bijelkaar is gebracht. Denk aan de moeite van architecten en bouwvakkers. Zonde van het werk. Maar graffiti doet meer dan dat: het tast onze identiteit aan. In gebouwen drukken we uit waar we voor staan, wat we belangrijk vinden, wie we zijn. Tegenwoordig zijn dat vaak grote glazen bankgebouwen – waar graffiti wat minder goed op hecht – , vroeger waren dat vooral kerken. Van alle gebouwen in Dalfsen is dit toch degene waar de meeste tijd en moeite in is gestoken. Als iemand hier op deze kerk met spuitbussen tekeer zou gaan dan zou ik dat voelen als een aantasting van dat waar ik voor sta, voor waar ik in geloof. Daarmee toont graffiti gelijk aan hoe kwetsbaar iets als cultuur is. We doen zoveel moeite om iets op te bouwen dat van waarde is, we steken er tijd en energie in, maar meer nog onze ziel en zaligheid. Maar er is bijna niks voor nodig om dat in een oogopslag kapot te maken.

U hebt er zo onderhand een beeld bij, graffiti, hoop ik. Maar dan terug naar de regel die de dichter ons in de mond legde: ons volgekladderd leven; ons leven als een muur met schuttingtaal in grote felkleurige letters. Hoe is dat beeld voor u? Persoonlijk vind ik het nogal een heftig beeld. Een beeld dat ook regelrecht indruist tegen het beeld dat ik van mezelf probeer hoog te houden, dat van een gelukt mens met een schoon en opgeruimd leven. En toch roept het beeld iets op, dat onder de oppervlakte peutert van dat zeg maar facebookachtige optimisme van mij, en wellicht is dat optimisme ook wel het uwe. Maar is het op de bodem van mijn ziel echt zo’n groot feest? Is het er echt zo helder en licht?

Waarmee kan een mensenleven niet beklad zijn? Bekladding is, zoals ik net zei, iets waarmee in een veeg iets moois kapot wordt gemaakt. Het is alles wat van buiten, van anderen, naar je toe komt en waar je schade aan lijdt, waar je lelijk van wordt. Dat gebeurt als mensen elkaars grenzen overgaan en voor elkaar gaan bepalen wat goed is. Ik hoor veel om me heen dat mensen zeggen: ik heb altijd het gevoel dat ik voor anderen heb geleefd, dat ik altijd keuzes heb gemaakt door eerst te kijken naar wat een ander van mij wil. Dat lijkt heel nobel, en zelfs christelijk, dat laatste, maar het is toch een van de voornaamte redenen waardoor mensen bij psychologen in de stoel belanden. Want het is uiteindelijk ongezond, als je alleen door invloed van anderen op jou keuzes maakt. Als je niet voldoende bent aanmoedigd om zelf je keuzes te maken, dan kan je leven vroeg of laat als een volgekladderd bestaan aan gaan voelen. Vol met dat wat anderen van je willen, verwachten, hopen of denken.

Dat kan al heel jong misgaan, als je als kind nooit bent gestimuleerd te zeggen wat je wilt, wat je echt graag wilt. Wat je op brood wilt, welke sport je zelf leuk vindt, wat je graag leest of op tv kijkt, of je dat uberhaupt leuk vind: brood eten, sporten, lezen of tv kijken. Ik merk als jonge ouder zomaar de neiging om het voor mijn dochter te willen bepalen. Dat gaat toch vaak een stuk sneller, makkelijker in mijn ogen. En goed, een leven gaat verder: je maakt keuzes voor een profiel op school, een opleiding, welke vriendschappen je aangaat, elke kanten je van jezelf ontwikkelt, hoe je in relaties staat, wat daarin goed aanvoelt. En rondom al die keuzes, de grote levensbepalende, en de kleine, wat onbeduidendere, staat vaak een heel leger aan mensen dat invloed en macht op die keuzes wil uitoefenen. Als u niet weet waar ik het over heb, ga dan eens op kraamvisite, of naar een bruiloft of een verjaardagsfeest of een begrafenis, of naar een studiebeurs of een netwerkborrel, of loop eens door een winkelstraat, en doe niks, luister alleen, en kijk. Je zult merken hoeveel pogingen mensen doen elkaar te beïnvloeden. Sterke vrouw of man die in dat hele circus overeind blijft, die de moed vind om zelf een weg te gaan door het leven, tussen al die goedbedoelde adviezen. Niet dat ik me moet afsluiten voor mensen, en voor hun goede adviezen. Maar het is wel goed om eens na te gaan, waarom ik een advies wil geven. Is het écht goedbedoeld, gericht op de ander, of probeer ik alleen maar mijn macht en invloed op haar of hem te vergroten? Voor de adviezen in die laatste categorie kan het wel eens heel gezond zijn om je er van af te sluiten. Het is soms de enige manier om te overleven, om niet volgekladderd te raken.

Vandaag vieren we het feest van de doop van de Heer. In het evangelie lezen we hoe Jezus deel wordt van ons menselijk bestaan, en zich laat dopen door Johannes. Daar schuilt denk ik een grote troost in, die nog het mooist wordt verwoord door die zin in het lied dat we zongen: “Hij wil niet als een onbeschreven blad veraf zijn van ons volgekladderd leven.” Hij komt als een mens in ons midden, niet als een wereldvreemde superster in een blinkende Mercedes; hij blijft niet buiten schot, maar vereenzelvigt zich met ons en met alles wat aan ons en onze wereld beschadigd is. En hij mag dan een godenzoon zijn, niets menselijks is hem vreemd. En dat is geen ketterij, integendeel, dat is nou evangelie. Dat hij een is geworden, steeds weer wordt met mensen als wij, met alles wij aan ellende meenemen in ons leven. Hij wordt de muur waarop de schuttingtaal van de geschiedenis, van ons leven geklad mag worden. Hij is samen met ons, volgekladderd.

En wat doet hij? Hij gaat naar Johannes en laat zich dopen. Hij? Ja, hij. Maar hij was toch… zonder zonde, nee dat is het nu net, hij heeft zich vol laten kladderen met zonde, met dat hele vuile web waar onze wereld, waar ikzelf in gevangen ben. Maar hij weet waar het water is, en dat je er doorheen moet gaan, de diepte van de dood in. Doop en dood scheelt niet voor niets maar één letter. En dan boven komen en naar adem happen, en dan eindelijk, voor het eerst echt ademruimte hebben, en werkelijk opstaan en leven. Wij zijn achter hem aangegaan, ooit, het water in, als een voelbaar teken dat wij in den beginne bij God schone mensen zijn, door hem geliefd. Vandaar ook deze witte doopjurk, om ons er aan te blijven herinneren dat wij zo staan voor God: als witte, gereinigde mensen. En laten wij in die geest ook naar elkaar kijken, met elkaar omgaan, gericht op elkaars vrijheid en schoonheid.

Het slot van de lezing maakt duidelijk dat de doop geen einde maakt aan alle ellende die een mens kan meemaken; Een mens te zijn op aarde, is komen uit het water en staan in de woestijn. Dat is de weg van Jezus, door het water heen de woestijn in. En zo zal het ook zijn voor wie gedoopt is: schoon van alle bekladding, vrij van het oordeel van mensen, maar tegelijk de woestijn in, waar het doopwater zomaar opdroogt. Leven als gedoopte gaat niet op het gemakje, het kan een eenzame en moeilijke weg zijn om te ontdekken wat je weg is in het leven, en waar je de bron van leven zoeken moet. Maar gedoopt ben je eens en voorgoed het is het grote ‘ja’ dat God over je leven heeft uitgesproken. In dat ‘ja’ ligt de grond voor acceptatie van jezelf, en de vrijheid van het oordeel van anderen. Wat mensen ook roepen, hoe ze je ook beschadigen, altijd is het ja van de doop dieper, ouder, blijvender.

Deze week zag ik een hóópvol beeld van graffiti dat ik tot slot graag met u deel. Ik zag een foto van een stadsmuur die in de loop der tijd helemaal zwart van het vuil was gaan zien. Maar in plaats van dat de muur bespoten werd met spuitbussen, waren enkele helden de muur te lijf gegaan met schoonmaakmiddelen. Ze verwijderden delen van de zwarte aanslag, en creërden zo prachtige figuren, bomen, huizen, er ontstond een vrolijk bloeiend landschap. Reverse graffiti, omgekeerde graffiti stond er onder. Ontkladderen, zo zou je het ook kunnen noemen. En is dat niet een prachtig beeld voor wat de doop is? Dat God, met alles wat er besmeurd is geraakt aan mijn leven, er toch iets moois in ziet: bomen, een vrolijke stad, een zon. Dat hij van mij en jou ondanks alles een kunstwerk maakt een schoon, prachtig en vrij mens.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s