Home

Overweging op Hemelvaartsdag

Morgendienst in de Grote Kerk te Wijk bij Duurstede, 14 april 2015

Lezingen: Hooglied 8:5-7; 13,14 en Lucas 24:49-53

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

een man klopte aan bij de koning en zei, Geef mij een boot. Nu telde het huis van de koning vele deuren, maar de deur waar hij aanklopte, was de deur der verzoeken. Omdat de koning zelf altijd bij de deur der attenties zat (de hem toebedeelde attenties welteverstaan), hield hij zich telkens Oost-Indisch doof, en pas als het voortdurende gedreun van de bronzen klopper al te opdringerig werd en de rust in de buurt verstoorde (de mensen begonnen te mopperen, Wat hebben wij voor een koning dat hij niet reageert), gaf hij de eerste secretaris opdracht te gaan kijken wat de verzoeker wilde die kennelijk van geen ophouden wist.”

Beste mensen, ik ben begonnen met jullie voor te lezen uit een flinterdun maar prachtig boekje getiteld Het verhaal van het onbekende eiland van de Portugese schrijver Jose Saramago. Uiteindelijk daalt de nukkige koning af naar de deur der verzoeken en daar ontspint zich een gesprek met de man, die nog eens botweg en kordaat zijn verzoek herhaalt: Geef mij een boot.

En kun je ons ook vertellen waarom je een boot wilt, vroeg de koning, Om op zoek te gaan naar het onbekende eiland, antwoordde de man, Welk onbekend eiland, vroeg de koning, zijn lachen inhoudend, alsof hij een halvegare voor zich had staan, zo een die je niet meteen moet tegenspreken, Het onbekende eiland, herhaalde de man, Onzin, er zijn geen onbekende eilanden meer, Wie heeft dat gezegd, sire, dat er geen onbekende eilanden meer zijn, Ze staan allemaal op de landkaarten, Op de landkaarten staan alleen de bekende eilanden, En wat is dat dan voor onbekend eiland waar je naar op zoek wilt gaan, Als ik je dat kon vertellen, was het niet onbekend, Wie heb je daarover horen praten, vroeg de koning ernstiger nu, Niemand, Waarom blijf je er dan bij dat het bestaat, Gewoon, omdat het onmogelijk is dat er geen onbekend eiland bestaat. (…) En als je dat onbekende eiland vindt, wordt het dan van mij, vroeg de koning, Jou, sire, interesseren alleen de bekende eilanden, De onbekende interesseren mij ook als ze niet onbekend meer zijn, Misschien laat dit zich niet kennen”

Er zijn geen onbekende eilanden meer, zegt de koning. En ondanks dat zitten wij hier vandaag op hemelvaartsdag met dat blijvend aparte verhaal van Jezus die opstijgt naar de hemel zijn onbekende eiland tegemoet. Na Pasen, dat verhaal dat je maar niet rondkrijgt, kan je denken, het moet niet gekker worden maar dat wordt het dus toch als Jezus zijn leerlingen meeneemt naar een berg en daar losraakt van de grond. Naar de hemel vaart. Zo zeker als de koning weet dat er geen onbekende eilanden meer bestaan, weten wij zeker dat er geen hemel is. Astronaut Yuri Gagarin meldde ons vanaf de maan in de jaren 60 wat we al wisten, dat God daar nergens te zien was zo ver je kon kijken. Het is hoe wetenschap zich vaak tot het geloof verhoudt: als de doekjes erom weg zijn, zie je dat het niets voorstelt dat je jezelf voor de gek houdt, lieve gelovige. En zo werden wij wakker in een onttoverde wereld een wereld zonder onbekende eilanden, zonder hemel.

Het is maar net hoe je kijkt. De koning kijkt vanuit het perspectief van het bezitten naar het onbekende eiland de astronaut kijkt vanuit perspectief van het verklaren naar de hemel. Zij zijn de verlichten. Want ze hebben het licht aan gedaan, en kijk maar. Alle eilanden zijn al ontdekt, en van het universum weten we ook al enorm veel. Maar het is maar net hoe je kijkt. De gelovige, de mysticus kijkt anders, en ziet meer. De man aan de deur bij de koning ziet een onbekend eiland een eiland dat zich misschien niet laat kennen, maar dat er zeker is, niettemin. En zo kietelt hij de koning van zijn troon af. Dit visioen is zo ongewoon, dat je niet kunt blijven zitten. Het vraagt je om anders te kijken.

Ik zei al: zo zeker als de koning weet dat er geen onbekende eilanden meer zijn zo zeker weten wij dat er geen hemel is. Maar de koning weet dat dus helemaal niet zo zeker, alleen: hij heeft een belang om dit wel te doen. Het idee van een onbekend eiland doet zijn troon wankelen, want wat als hij niet van ook dát eiland de koning is? En net als de koning, weten ook wij niet zeker dat er geen hemel is. Alleen we hebben een belang om dat wel met zekerheid te stellen. Want het besef van een hemel gooit ons leven in de war. Als ik onder een hemel leef, betekent dat dat ik niet het centrum van de macht ben, dat ik niet mezelf schep en in leven houdt. Het betekent dat er een macht over mij gesteld is. Als er iets is dat mij persoonlijk niet lekker ligt, dan is het wel dit idee. Want hoe zit het dan met mijn autonomie, met mijn zelfbeschikking? En betekent dat dan ook dat ik rekening moet houden met een ander?

Naar het schijnt geloven nieuwe spirituelen vaak wel in een hemel, maar niet in God. Hoorde ik tenminste deze week de rector van de Prot. Theologische Universiteit zeggen, en dan zal het wel zo zijn, je moet ook eens wat durven aannemen op gezag 😉 Dat woord God is immers veel te belast. En dat is het ook. Als ik iemand vertel dat ik in God geloof, ben ik vaak eerst een halfuur bezig om uit te leggen wat ik dan níet bedoel. Maar het besef van een God in een hemel heeft ook iets heilzaams, namelijk het besef dat ik niet het centrum van mijn eigen leven ben. Dat is troostend, want het betekent dat ik niet langer de schone schijn hoef op te houden en te doen alsof het allemaal prima lukt om mezelf op de been te houden alle ballen in de lucht te houden, van het dragen van de laatste mode, het meeste boeken hebben gelezen, het fitste en het vitaalste zijn, en dat allemaal tegelijk.

En tegelijk is het ook kritisch. Want Gods licht gaat op over goeden en kwaden en de hemelboog staat over heel de aarde gespannen. Voor God zijn alle mensen gelijkwaardig. Als dat voor ons nu ook eens zo was, niet alleen op papier, maar in het echt… Dan kunnen wij in elk geval niet langer leven alsof wij vier wereldbollen ter beschikking hebben, om Marianne Thieme te citeren. Of doen alsof het een kwestie van vrijgevigheid is als we rechteloze vluchtelingen dagelijks bed bad en brood geven.

Als we ons willen toevertrouwen aan een God in de hemel dan maakt het wel uit wat voor een. Vandaag vieren wij de troonsbestijging van Jezus; zoals u misschien al had opgemerkt in bijv. Psalm 47. Jezus wordt koning op de veertigste paasdag. De dag die je wist dat zou komen is eindelijk daar, om met John Ewbank, de dichter van het koningslied te spreken. Jezus is koning, ik hoor het mezelf zeggen, dat klinkt nogal evangelisch/pinkster. Maar ondanks dat is het goed nieuws, en wel hierom. Jezus is anders dan de koning uit het verhaal van Saramago. Hij zit niet constant bij de deur der attenties op allerlei moois van onze kant te wachten. Hij daalt niet nukkig af, en houdt de deur niet op een kier. Hij is allang afgedaald naar de deur der verzoeken waar wij met alle mensen die lijden blijven roepen Heer ontferm u. Met ons, namens ons, durft hij de dood in de ogen te kijken. Hij knijpt er niet tussenuit om zijn mantel te laten stomen en zich eens lekker te laten masseren. Wanneer hij als koning opstijgt, dan doet hij dat als het ware met zijn doornenkroon nog op, en met de purperen mantel van zijn bespotting. Of om het klassiek te zeggen: hij regeert vanaf het kruis. Zonder bling bling dus, maar getekend met de wonden van het lijden.

Zo vaart hij dan naar de hemel, zijn onbekende eiland. Daar is hij de koning. Blijft natuurlijk de vraag waar dat dan is, de hemel. Ik zou zeggen dat de hemel in ons midden is, als je met andere ogen kijkt. De hemel dan niet als een topografische locatie maar als een gebeuren dat we horen ritselen als de wind in de bomen. De hemel is een geheimenis, dat net als het onbekende eiland ‘zich misschien wel niet laat kennen’. Maar daarom is de hemel nog niet ver van ons. Ik zou eerder zeggen dat de hemel dichterbij is dan wij zelf durven dromen.

In die richting wijst ook het einde van Het verhaal van het onbekende eiland, dat ik tot slot graag met u deel. Laten we horen waar de man, die de koning om een boot vroeg, zijn onbekende eiland, zijn hemel vindt. De man krijgt een karveel van de koning. De poetsvrouw uit het paleis wordt zijn matroos. Maar het lukt hen niet om uit de haven weg te komen, want er is personeel te weinig. Dan valt de man teleurgesteld en uitgeput in een diepe slaap. In zijn droom raakt de boot vervolgens begroeid met bomen en koren, en klimplanten. Een waar oerwoud. Ik citeer het slot van het verhaal:

De wortels van de bomen dringen al binnen in het spant, het duurt niet lang meer of die gehesen zeilen zijn niet meer nodig, de wind hoeft maar in de kruinen van de boomtoppen te blazen en de karveel begeeft zich op weg naar zijn bestemming. Het is een waar bos dat vaart en schommelt op de golven, een bos waar god weet hoe de vogels zijn gaan fluiten, waarschijnlijk zaten die daar verborgen en hebben ze ineens besloten te voorschijn te komen, misschien omdat het koren al rijp is en gemaaid moet worden. Toen zette de man het stuurwiel vast en liep naar de akker met de sikkel in zijn hand, en toen hij de eerste aren had afgesneden, zag hij een schaduw naast zijn eigen schaduw. Hij werd wakker met zijn armen om de poetsvrouw, en zij had de hare om hem geslagen, hun lijven verstrengeld (…) En zodra de zon op was, schilderden de man en de vrouw op de boeg van de boot, aan weerskanten, met witte letters de naam die de karveel nog niet had. Rond het middaguur dreef Het Onbekende Eiland tenslotte op het tij naar de zee, op zoek naar zichzelf”.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s